BWBR0001916
Geldig vanaf 1923-05-14
Artikel 1
Wet betreffende afstand van een gedeelte van voor ontginning van Staatswege gereserveerde terreinen
1. In afwijking van het bepaalde bij artikel 1 van de wet van 24 Juni 1901 ( Staatsbladn°. 170) en artikel 1 van de wet van 13 Februari 1911 ( Staatsbladn°. 68) kan door Ons het recht tot de ontginning van steenkolen binnen de terreinen, op de bij deze wet behoorende kaart met de letters A en B aangeduid, worden toegekend aan derden.
2. Dit recht zal worden toegekend door het verleenen van concessie als in de wet van 21 April 1810 ( Bulletin des Loisn°. 285) bepaald, en met alle gevolgen, daaraan door die wet verbonden, met dien verstande, dat de formaliteiten, welke ingevolge die wet aan het verleenen van concessie behooren vooraf te gaan, niet behoeven te worden vervuld.
De artikelen 1 tot en met 8 van de wet van 27 April 1904 ( Staatsbladn°. 73), gewijzigd bij de wetten van 29 Juni 1912 ( Staatsbladn°. 202), 16 December 1916 ( Staatsbladn°. 552) en 26 Maart 1920 ( Staatsbladn°. 156), zijn niet van toepassing op de vorenbedoelde concessiën.
3. De rechtverkrijgenden zullen voor het onttrekken aan de ontginning van Staatswege van de terreinen, in het eerste lid bedoeld, ten behoeve van het Staatsmijnbedrijf in Limburg eene vergoeding aan 's Rijks schatkist uitkeeren, berekend naar den maatstaf van € 1 361,34 per hectare.
2. Dit recht zal worden toegekend door het verleenen van concessie als in de wet van 21 April 1810 ( Bulletin des Loisn°. 285) bepaald, en met alle gevolgen, daaraan door die wet verbonden, met dien verstande, dat de formaliteiten, welke ingevolge die wet aan het verleenen van concessie behooren vooraf te gaan, niet behoeven te worden vervuld.
De artikelen 1 tot en met 8 van de wet van 27 April 1904 ( Staatsbladn°. 73), gewijzigd bij de wetten van 29 Juni 1912 ( Staatsbladn°. 202), 16 December 1916 ( Staatsbladn°. 552) en 26 Maart 1920 ( Staatsbladn°. 156), zijn niet van toepassing op de vorenbedoelde concessiën.
3. De rechtverkrijgenden zullen voor het onttrekken aan de ontginning van Staatswege van de terreinen, in het eerste lid bedoeld, ten behoeve van het Staatsmijnbedrijf in Limburg eene vergoeding aan 's Rijks schatkist uitkeeren, berekend naar den maatstaf van € 1 361,34 per hectare.