BWBR0001901
Geldig vanaf 1920-11-14
Artikel 4
Wet tot uitbreiding van het Staatsmijnveld
1. Hij, die een uitkeering, als in artikel 3bedoeld, meent te kunnen vorderen, moet zich ter verkrijging daarvan binnen één jaar na het in werking treden van deze wet, met overlegging van bewijsstukken tot staving van zijn recht, wenden tot Onzen Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, die hem binnen zes maanden na dien termijn kennis geeft, of hij zich met de vordering, en tot welk bedrag, vereenigt.
2. Wordt aan den belanghebbende het bedrag, waarop hij aanspraak maakt, niet binnen zes maanden na dagteekening van de in het eerste lid voorgeschreven kennisgeving uitbetaald, zoo kan hij, binnen zes maanden na het verstrijken van dien termijn, zijne vordering in rechte doen gelden.
2. Wordt aan den belanghebbende het bedrag, waarop hij aanspraak maakt, niet binnen zes maanden na dagteekening van de in het eerste lid voorgeschreven kennisgeving uitbetaald, zoo kan hij, binnen zes maanden na het verstrijken van dien termijn, zijne vordering in rechte doen gelden.