BWBR0001892
Geldig vanaf 1918-01-28
Artikel 7
Wet aanleg locaalspoor- en tramwegen
1. Een ieder is verplicht te gedoogen, dat spoorwegen op wegen met inachtneming van een vergunning als bedoeld in artikel 2, worden aangelegd en in stand gehouden.
2. De schade, welke daaruit voor de beheerders der wegen of voor andere daarop recht hebbenden mocht voortvloeien, wordt hun door den concessionaris vergoed.
3. De vordering daartoe moet worden ingesteld voor den rechter van het kanton, of, ter keuze van den eischer, van een der kantons, waarin de weg is gelegen.
4. Van de uitspraak van den kantonrechter is hooger beroep toegelaten.
5. De bepalingen, voor burgerlijke twistgedingen geldende, zijn op de twistgedingen, bij dit artikel bedoeld, van toepassing, voor zooveel daarvan bij het derde en vierde lid niet is afgeweken.
2. De schade, welke daaruit voor de beheerders der wegen of voor andere daarop recht hebbenden mocht voortvloeien, wordt hun door den concessionaris vergoed.
3. De vordering daartoe moet worden ingesteld voor den rechter van het kanton, of, ter keuze van den eischer, van een der kantons, waarin de weg is gelegen.
4. Van de uitspraak van den kantonrechter is hooger beroep toegelaten.
5. De bepalingen, voor burgerlijke twistgedingen geldende, zijn op de twistgedingen, bij dit artikel bedoeld, van toepassing, voor zooveel daarvan bij het derde en vierde lid niet is afgeweken.