BWBR0001868
Geldig vanaf 1901-08-01
Artikel 6
Wet exploitatie van Staatswege van steenkolenmijnen in Limburg
1. Hij die eene uitkeering, als in art. 5bedoeld, meent te kunnen vorderen, moet zich ter verkrijging daarvan, binnen één jaar na den datum van het Koninklijk besluit van aanwijzing, in art. 1bedoeld, met overlegging van bewijsstukken tot staving van zijn recht, wenden tot Onzen Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, die hem, binnen zes maanden na dien termijn kennis geeft of hij zich met de vordering, en tot welk bedrag, vereenigt.
2. Wordt aan den belanghebbende het bedrag waarop hij aanspraak maakt, niet binnen zes maanden na dagteekening van de in het eerste lid voorgeschreven kennisgeving uitbetaald, zoo kan hij, binnen zes maanden na het verstrijken van dien termijn, zijne vordering in rechte doen gelden.
2. Wordt aan den belanghebbende het bedrag waarop hij aanspraak maakt, niet binnen zes maanden na dagteekening van de in het eerste lid voorgeschreven kennisgeving uitbetaald, zoo kan hij, binnen zes maanden na het verstrijken van dien termijn, zijne vordering in rechte doen gelden.