Rechtspraak Raad van State 2026-02-18
ECLI:NL:RVS:2026:925
202405598/1/V6. Datum uitspraak: 18 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 juli 2024 in zaak nr. 23/7938 in het geding tussen: [appellant] en de staatssecretaris van Participatie en Integratie. Procesverloop Bij besluit van 6 februari 2023 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het verzoek van [appellant] om terug te komen van het besluit van 24 december 2019, waarin de minister [appellant] een boete heeft opgelegd en bepaald heeft dat zij de lening die zij heeft afgesloten, moet terugbetalen, afgewezen. Bij besluit van 7 november 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris en [appellant] hebben op verzoek van de Afdeling nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 september 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. B.G. Smouter, advocaat in Arnhem, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. F. Hummel-Fekkes, vergezeld door A.V. van Drimmelen, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Bij brief van 26 februari 2016 heeft de staatssecretaris [appellant] laten weten dat zij inburgeringsplichtig is. Haar inburgeringstermijn is op 1 maart 2016 gestart en zij moest, nadat de staatssecretaris deze termijn had verlengd, voor 26 oktober 2019 aan haar inburgeringsplicht voldoen. Dit is niet gebeurd. Omdat [appellant] niet op tijd was ingeburgerd, heeft de staatssecretaris haar in het besluit van 24 december 2019 een boete opgelegd van € 1.250,00 en bepaald dat zij de lening die zij had afgesloten, volledig moet terugbetalen. [appellant] heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 2. Tussen partijen staat vast dat [appellant] niet op tijd aan haar inburgeringsplicht heeft voldaan. In deze zaak gaat het om de vraag of de staatssecretaris het besluit van 24 december 2019, dat in rechte vaststaat, moet herzien. 3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Op dit geding is de Wet inburgering (Wi) van toepassing zoals die wet luidde tot 1 januari 2022. Oordeel van de rechtbank 4. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die maken dat de staatssecretaris moet terugkomen van het besluit van 24 december 2019. De weigering om het besluit te herzien is daarnaast niet evident onredelijk of in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Betoog [appellant] en volgorde van bespreking daarvan 5. [appellant] betoogt dat de staatssecretaris haar niet kan verplichten de lening terug te betalen. In het besluit van 24 december 2019 heeft de staatssecretaris besloten dat zij de lening die zij heeft afgesloten om de kosten van de inburgeringslessen en -examens te bekostigen, moet terugbetalen. De staatssecretaris heeft haar echter nog geen concrete terugbetalingsverplichting opgelegd. Bij de vraag of de staatssecretaris deze terugbetalingsverplichting op kan leggen, is de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3087, volgens haar relevant. 5.1. Daarnaast betoogt [appellant] dat er, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel degelijk nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden zijn die maken dat de staatssecretaris het besluit van 24 december 2019 moet herzien. Het gaat haar daarbij zowel om de terugbetalingsverplichting van de lening als om de boete. Ook betoogt zij dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat de weigering het besluit van 24 december 2019 te herzien, evident onredelijk is. Dit besluit is volgens haar onmiskenbaar onjuist, omdat het i Alleen in uitzonderlijke gevallen zal de weigering evident onredelijk zijn. 7.5. Uit het arrest Keren en de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025 volgt dat het gedeelte van het besluit van 24 december 2019 dat gaat over de terugbetalingsverplichting van de lening evident in strijd is met hoger recht, namelijk artikel 34 van de Kwalificatierichtlijn. Dat het daarbij niet gaat om primair Unierecht, zoals de staatssecretaris stelt, doet er niet aan af dat het zonder dieper dan oppervlakkig onderzoek al meteen duidelijk is dat het besluit van 24 december 2019 onverenigbaar is met hoger recht. De Afdeling komt daarom tot de conclusie dat het gedeelte van het besluit van 24 december 2019 dat gaat over de terugbetalingsverplichting van de lening onmiskenbaar onjuist is. Dat het arrest Keren nog niet bestond toen de staatssecretaris dit besluit nam, is geen reden om hier anders over te oordelen. Een arrest van het Hof over een verzoek om een prejudiciële beslissing geeft namelijk in beginsel het recht weer zoals dat steeds heeft gegolden. 7.6. De staatssecretaris voert aan dat de rechtszekerheid zich ertegen verzet dat hij terugkomt van het besluit van 24 december 2019. De Afdeling overweegt dat het rechtszekerheidsbeginsel ertoe dient burgers te beschermen tegen willekeur van de kant van de overheid. De staatssecretaris kan dit beginsel daarom niet inroepen om zichzelf te beschermen. Wel is in het algemeen het voorkomen van rechtsonzekerheid een belang waaraan gewicht toekomt. Die rechtsonzekerheid kan ontstaan doordat een besluit ook na het verstrijken van de termijnen voor bezwaar en beroep niet onaantastbaar blijkt te zijn. Die onzekerheid is vooral onwenselijk wanneer er belangen van derden op het spel staan. Dat is hier niet het geval. Omdat het besluit van 24 december 2019 niet uitvoerbaar is, zoals hiervoor onder 7.1 aan de orde is gekomen, ziet de Afdeling niet in welk belang gediend wordt door dit onmiskenbaar onjuiste besluit in stand te houden. De terugbetalingsverplichting zou dan als het ware wel dreigend boven [appellant]s hoofd blijven hangen, terwijl de staatssecretaris die verplichting nooit zal kunnen verzilveren. Dat is een feitelijk en juridisch hoogst onwenselijke situatie. De Afdeling komt daarom, gelet op de omstandigheden, tot het oordeel dat de weigering van de staatssecretaris om terug te komen van het gedeelte van het besluit van 24 december 2019 dat gaat over de lening evident onredelijk is. 7.7. De verwijzing van de staatssecretaris naar arresten van het Hof is geen reden hier anders over te oordelen. De staatssecretaris wijst erop dat het Hof waarde hecht aan de formele rechtskracht van een besluit en dat het Unierecht een nationaal bestuursorgaan alleen in bijzondere omstandigheden verplicht om een onherroepelijk geworden besluit opnieuw te onderzoeken. Zie de arresten van het Hof van 4 oktober 2012, ECLI:EU:C:2012:608, Byankov, punten 76-77, en 10 maart 2022, ECLI:EU:C:2022:175, Grossmania, punten 52-54. De Afdeling leidt uit de rechtspraak van het Hof echter niet af dat het Unierecht haar belet om tot het oordeel te komen dat het evident onredelijk is om vast te houden aan een onherroepelijk besluit, wanneer dit besluit in strijd is met een arrest van het Hof. 7.8. Het betoog slaagt. Wat [appellant] verder heeft aangevoerd over de terugbetalingsverplichting van de lening behoeft geen bespreking. Boete 8. Wat de Afdeling hiervoor onder 7.2 en 7.3 heeft overwogen over de terugbetalingsverplichting van de lening, geldt ook voor het gedeelte van het besluit van 24 december 2019 dat gaat over de boete (het boetebesluit). Ook hier laat de Afdeling in het midden of de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, omdat de Afdeling van oordeel is dat het besluit om niet terug te komen van het boetebesluit, evident onredelijk is. Daarbij geldt specifiek voor het boetebesluit het volgende.