Rechtspraak
Raad van State
2026-02-16
ECLI:NL:RVS:2026:818
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,921 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:818 text/xml public 2026-03-31T15:08:39 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-02-16 202501849/1/V3 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl JV 2026/61 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:818 text/html public 2026-02-13T08:57:02 2026-02-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:818 Raad van State , 16-02-2026 / 202501849/1/V3 Bij besluiten van 6 maart 2025 en 7 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant de toegang tot Nederland geweigerd en hem een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. 202501849/1/V3. Datum uitspraak: 16 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 25 maart 2025 in zaak nr. NL25.11355 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluiten van 6 maart 2025 en 7 maart 2025 heeft de minister appellant de toegang tot Nederland geweigerd en hem een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 25 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.J. Koolen, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. De minister heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend. Overwegingen Inleiding 1. Bij besluit van 1 november 2024 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 (hierna: maatregel 1). Bij uitspraak van 28 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. 1.1. Op 7 maart 2025 heeft de minister maatregel 1 opgeheven, omdat de rechtbank het beroep in de asielzaak van appellant ongegrond had verklaard, zodat er sprake was van een definitieve beslissing op het asielverzoek in de zin van de Procedurerichtlijn. Bij besluit van diezelfde dag heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 (hierna: maatregel 2). Bij uitspraak van 25 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellant heeft ook tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Dat is het hoger beroep waarover deze zaak gaat. 1.2. Bij uitspraak van 8 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3039, heeft de Afdeling het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank over maatregel 1 gegrond verklaard. Zij oordeelde dat die maatregel vanaf het begin onrechtmatig was, omdat de minister die in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig had voorbereid. De vraag die in dit hoger beroep voorligt, is of de onrechtmatigheid van maatregel 1 in dit geval ook gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van maatregel 2. Het hoger beroep 2. Appellant komt in grief 2 op tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van een schending van het recht op een spoedige beslissing, bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het EVRM, doordat de Afdeling na drie maanden nog niet heeft geoordeeld over de rechtmatigheid van maatregel 1. Volgens appellant is er wel een dergelijke schending en werkt deze door in de rechtmatigheid van maatregel 2. 2.1. Sinds de genoemde uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2025 staat in rechte vast dat maatregel 1 vanaf het begin onrechtmatig was. Deze uitspraak dateert van na het moment dat appellant hoger beroep instelde in tegen de uitspraak van de rechtbank over maatregel 2. Met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb, vat de Afdeling de grief van appellant daarom ook op als een betoog dat de onrechtmatigheid van maatregel 1 de rechtmatigheid van maatregel 2 aantast. Beoordeling 2.2. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 11 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5943, onder 6 tot en met 6.4, haar vaste rechtspraak bevestigd dat de onrechtmatigheid van een eerdere maatregel alleen kan doorwerken in een opvolgende maatregel als het gebrek in de eerdere maatregel een ernstige schending oplevert van het aan een vreemdeling toekomende recht om in vrijheid te worden gesteld wanneer de bewaring onrechtmatig is. 2.3. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank in de asielzaak, heeft de minister maatregel 1 op 7 maart 2025 opgeheven. De grensdetentie duurde toen ruim vier maanden. Een vrijheidsontnemende maatregel op grond van het eerste en tweede lid van artikel 6 van de Vw 2000, zoals maatregel 2, kan alleen worden opgelegd aan een vreemdeling wie de toegang is geweigerd. Tot het moment dat de rechtbank uitspraak deed in de asielzaak van appellant, kon hem niet de toegang worden geweigerd, omdat hij verzoeker was in de zin van de Procedurerichtlijn. Als de rechtbank naar behoren in haar uitspraak van 28 november 2024 de opheffing van maatregel 1 had bevolen, had de minister appellant toegang moeten verlenen. Als toegang eenmaal is verleend, kan die niet meer worden geweigerd. Dit betekent dat de minister maatregel 2 alleen heeft kunnen opleggen doordat maatregel 1 onrechtmatig heeft voortgeduurd tot de rechtbank uitspraak deed in de asielzaak. 2.4. In dit geval brengt de onrechtmatigheid van maatregel 1 dus met zich mee dat maatregel 2 nooit opgelegd had mogen worden. Daarbij komt dat appellant voor lange duur onrechtmatig in grensdetentie heeft verbleven, door toedoen van een onjuist oordeel van de rechtbank en een laat oordeel van de Afdeling. Appellant heeft daarom in feite geen toegang gehad tot een daadwerkelijk rechtsmiddel. Onder deze omstandigheden is er sprake van een ernstige schending van het recht van appellant om in vrijheid te worden gesteld. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2083, onder 5.6. Daarom is ook maatregel 2 vanaf het begin onrechtmatig. 2.5. De grief slaagt. Conclusie 3. Omdat de grensdetentie vanaf het begin onrechtmatig is geweest, bestaat voor ambtshalve toetsing door de Afdeling geen aanleiding. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat appellant verder aanvoert te bespreken. Het beroep is alsnog gegrond. Omdat de minister de grensdetentie al heeft opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 25 maart 2025 in zaak nr. NL25.11355; III. verklaart het beroep gegrond; IV. kent aan appellant een vergoeding toe van € 1.500,00 over de periode van 7 maart 2025 tot en met 21 maart 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State; V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier. w.g. De Poorter voorzitter w.g. Kraak griffier Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026 1020