Rechtspraak Raad van State 2026-02-11
ECLI:NL:RVS:2026:731
202305544/1/R2. Datum uitspraak: 11 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: [appellant A] en [appellant B], beiden wonend in 's-Hertogenbosch, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 juli 2023 in zaak nrs. 22/88 en 22/191 in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B], en het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch. Procesverloop Bij besluit van 26 mei 2021 heeft het college de aanvraag van [bedrijf] om een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een woning aan de [locatie] in 's-Hertogenbosch ("het perceel") afgewezen. Bij besluit van 30 november 2021 heeft het college het door [bedrijf] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de omgevingsvergunning alsnog verleend. Bij uitspraak van 13 juli 2023 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] ieder voor zich hoger beroep ingesteld. [appellant A] en [appellant B] hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure. De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 4 juli 2025 behandeld, waar [appellant A], bijgestaan door mr. J.H.D. Elings, advocaat in Tilburg, en [appellant B], bijgestaan door mr. J.M. Lammers, rechtsbijstandsverlener in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Malicki, zijn verschenen. Verder is op de zitting [bedrijf], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. F. Khalil, advocaat in 's-Hertogenbosch, als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ("Wabo"). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 5 februari 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding Het project 2. De aanvraag om omgevingsvergunning ziet volgens het aanvraagformulier op het intern verbouwen van de woning op het perceel. Uit de aanvraag en de daarbij behorende brieven aan het college van 4 november 2020 van de oorspronkelijke initiatiefnemer en van 16 april 2021 van de aanvrager blijkt dat de indeling van de woning intern wordt gewijzigd, om de woning geschikt te maken voor de huisvesting van jongvolwassenen met een stoornis in het autistisch spectrum. Volgens de brief van 16 april 2021 gaat het om maximaal 8 jongeren. Zij zullen daar als bewoners een traject volgen, waarin zij leren om uiteindelijk ergens anders zelfstandig te kunnen gaan wonen. Daarbij zal sprake zijn van diverse vormen van begeleiding en verzorging. De brieven van 4 november 2020 en 16 april 2021 waarin het project is omschreven, maken deel uit van het besluit op bezwaar van 30 november 2021, waarbij de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend. De verbouwing voorziet volgens de bouwtekeningen die deel uitmaken van het besluit, in het realiseren van 6 kamers. Het gaat om 6 onzelfstandige wooneenheden in het hoofdgebouw, waarvan 3 op de begane grond en 3 op de verdieping met gedeelde voorzieningen, zoals keuken, wc en badkamer. Op de begane grond bevinden zich een gezamenlijke huiskamer en de keuken. Verder zijn volgens de bouwtekeningen in een gedeelte van het gebouw op de begane grond, waarin zich voorheen een zwembad bevond, 4 studio’s met ie Dat op een bij het besluit van 30 november 2021 behorende situatietekening ook aan het perceel grenzende gronden te zien zijn, waar volgens de aanvraag dus niets wijzigt, maakt niet dat de aanvraag ook op die gronden ziet. Het gaat daarbij bovendien ook om gronden die bij andere woningen aan de Engelsedijk horen en die niet in eigendom zijn van [bedrijf]. Het betoog slaagt niet. Is het project in strijd met het bestemmingsplan? - De bestemming "Wonen" 6. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het voorgenomen gebruik van de gronden en bouwwerken op het perceel in strijd is met de geldende bestemming "Wonen". Volgens [appellant A] valt het gebruik niet onder de definitie van "bijzondere woonvoorzieningen" in artikel 1.18 van de planregels. Daarmee zijn volgens hem woningaanpassingen bedoeld, zoals een aangepaste badkamer of keuken en niet deze vorm van wonen in combinatie met zorg. Volgens [appellant A] en [appellant B] moet het gebruik juist worden gezien als een aan huis verbonden beroepsactiviteit. Die activiteit is gelet op artikel 11.5, onder b, aanhef, van de planregels in strijd met het bestemmingsplan, omdat die activiteit niet ondergeschikt is aan de woonfunctie. Verder woont degene die de activiteit uitvoert, niet zelf op het perceel, wat volgens artikel 11.5, onder b, aanhef en onder 2, van de planregels voor een beroepsactiviteit aan huis wel het geval moet zijn. Verder wordt volgens hen een te groot oppervlakte van het perceel voor deze beroepsactiviteit aan huis ingezet. Dat is in strijd met artikel 11.5, onder b, aanhef en onder 1, van de planregels. 6.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Dijklint Orthen" geldt voor het perceel de bestemming "Wonen", met de aanduiding "twee-aaneen". In geschil is of de rechtbank het voorgenomen gebruik van de woning terecht in overeenstemming heeft geacht met de voor het perceel geldende bestemming "Wonen". Daarbij is van belang of het project voorziet in een bijzondere woonvoorziening als bedoeld in artikel 11.1, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 1.18 van de planregels. Uit de bij de aanvraag behorende brief van 16 april 2021 blijkt dat het bouwplan voorziet in de huisvesting van jongvolwassenen met een autismespectrumstoornis, die daar worden begeleid naar zelfstandig wonen. Als eerste stap wonen zij in een eigen kamer en leren zij de noodzakelijke huishoudelijke taken (schoonmaken, boodschappen) te combineren met school, werk of dagbesteding. Daarnaast kunnen ze gebruik maken van het zorg- en welzijnsaanbod dat wordt geboden op de locatie. Dat bestaat volgens de brief van 16 april 2021 uit gesprekken en ondersteuning zoals ouders die bieden. Als dit goed gaat, dan kan een tweede stap worden gezet naar grotere zelfstandigheid in de vorm van wonen in een studio met eigen voorzieningen (keukentje en badkamer), waarbij de begeleiding meer op afstand blijft en de focus vooral ligt op uitstroom om zelfstandig ergens anders te gaan wonen. Blijkens de bij de aanvraag verstrekte informatie gaat het verder om jongeren die geen zorgindicatie hebben voor beschermd wonen, maar een indicatie voor ambulante begeleiding. Daarmee in lijn worden zij begeleid naar een daadwerkelijk zelfstandige woonsituatie met ambulante begeleiding, voor zover die dan nog nodig is. Op de zitting is gebleken dat in de woning geen 24 uurs-zorg aanwezig zal zijn, omdat dat voor deze groep niet nodig is. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank onder deze omstandigheden terecht tot het oordeel is gekomen dat dit gebruik kwalificeert als een bijzondere woonvoorziening in de zin van artikel 11.1, gelezen in samenhang met artikel 1.18 van de planregels. Het gebouw voorziet in de aangepaste woonbehoefte van de bewoners van deze doelgroep, zoals hiervoor is omschreven. Omdat dit gebruik valt onder de gebruiksfunctie wonen in de vorm van bijzondere woonvoorzieningen als is bedoeld in artikel 11.1, aanhef en onder a, van de planregels, kwalificeert dit gebruik n Verzoeken om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. 10. [appellant A] en [appellant B] hebben de Afdeling verzocht om vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn. 10.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. 10.2. Het college heeft het bezwaarschrift van [bedrijf] ontvangen op 6 juli 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met ruim 6 maanden overschreden. Deze overschrijding is toe te rekenen aan de Afdeling. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan [appellant A] en [appellant B] elk toe te kennen bedrag € 1000,00. 10.3. De Afdeling zal de Staat (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) daarom veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 1000,00 aan [appellant A] en [appellant B] elk, als vergoeding van de geleden immateriële schade. Proceskosten 10.4. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan de Afdeling is toe te rekenen, moet de Staat (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) de proceskosten vergoeden voor de verzoeken om schadevergoeding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. wijst de verzoeken om schadevergoeding toe; III. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant A] een schadevergoeding van € 1000,00 te betalen; IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan W.[appellant B] een schadevergoeding van € 1000,00 te betalen; V. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant A] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00,geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij W.[appellant B] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, voorzitter, en mr. J. Gundelach en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier. w.g. Kaajan voorzitter w.g. Bolleboom griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026 641 BIJLAGE Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1, eerste lid: Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk, (…). Bestemmingsplan "Dijklint Orthen" Artikel 1 van de planregels: Begrippen 1.2 Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit: een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn en die op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijk uitstraling heeft die in overeenstemming is met d