Rechtspraak Raad van State 2026-02-02
ECLI:NL:RVS:2026:552
202305034/2/R2. Datum uitspraak: 2 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: Stichting Groen Kempenland, gevestigd in Bladel en Stichting Milieuwerkgroep Kempenland, gevestigd in Bergeijk (hierna: de Stichtingen), verzoekers, en het college van burgemeester en wethouders van Eersel, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 9 mei 2023 heeft het college het wijzigingsplan "[locatie] te Wintelre" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben de Stichtingen beroep ingesteld. Bij besluit van 16 oktober 2024 (hierna: het herstelbesluit) heeft het college het wijzigingsplan "[locatie] te Wintelre" (hierna: het wijzigingsplan) gewijzigd vastgesteld. De Stichtingen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Stichtingen en het college hebben nadere stukken ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op zitting behandeld op 15 januari 2026, waar de Stichtingen, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof en A. Castelijns, en het college, vertegenwoordigd door F.P.C. Verhagen en ing. Y.A.W. Hommel-Sprengers, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [maatschap], vertegenwoordigd door mr. M. Peeters, advocaat in Someren, [gemachtigden], als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. Voorlopig karakter oordeel 2. Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en niet bindend in de bodemprocedure. Inleiding 3. Het wijzigingsplan heeft betrekking op het perceel aan de [locatie] in Wintelre. De Maatschap exploiteert ter plaatse een varkenshouderij en is voornemens drie nieuwe stallen voor vleesvarkens te realiseren. De Maatschap wil haar varkenshouderij toekomstbestendig in gaan richten en wil op een diervriendelijke en duurzame manier varkens gaan houden. Het wijzigingsplan voorziet in het van vorm veranderen van het bouwvlak om de gewenste wijzigingen in de bedrijfsvoering mogelijk te maken, waarbij twee van de door de Maatschap beoogde drie nieuwe stallen zijn voorzien binnen het gewijzigde deel van het bouwvlak. 4. Het wijzigingsplan is vastgesteld op basis van artikel 3.9.1 van het bestemmingsplan "Buitengebied 2017", waarin een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen voor het van vorm veranderen van het bouwvlak. 5. Bij het herstelbesluit heeft het college het besluit van 9 mei 2023 tot vaststelling van het wijzigingsplan vervangen. Het college heeft een nieuwe AERIUS-berekening gemaakt, met inachtneming van andere stikstofbronnen dan alleen stalemissies en op basis van een andere referentiesituatie. Verder heeft het college de regels voor stalderen bij een toename aan oppervlakte dierenverblijf voor een hokdierhouderij gewijzigd. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Spoedeisend belang 6. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat, zoals door de Maatschap op de zitting is gesteld, geen spoedeisend belang bestaat. Dit gelet op de omstandigheid dat het college bij besluit van 1 oktober 2025 een omgevingsvergunning aan de Maatschap heeft verleend voor het bouwen van onder meer drie varkensstallen, waartegen door de Stichtingen bezwaar is gemaakt. Met deze omgevingsvergunning zijn twee varkensstallen gelegen binnen het met het wijzigingsplan gewijzigde bouwvlak vergund. Beoordeling verzoek 7. De Stichtingen betogen onder meer dat het college bij het onderzoek naar de geurhinder en de stikstofdepositie niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijk In het wijzigingsplan is echter niet geborgd dat alleen dit concrete initiatief kan worden gerealiseerd. Het wijzigingsplan maakt immers een verschuiving van het bouwvlak mogelijk, zonder dat de locatie van de twee met het wijzigingsplan beoogde stallen is vastgelegd, terwijl de locatie van de twee beoogde stallen onder meer relevant is voor de door de Stichtingen genoemde gevolgen van geurhinder en de omvang van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Daarnaast is bij het wijzigingsplan opnieuw een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen op grond waarvan met een afwijkingsvergunning de oppervlakte kan worden vergroot. Het college heeft bij het onderzoek naar de mogelijke gevolgen van het wijzigingsplan met deze mogelijkheden geen rekening gehouden. Daardoor is het college niet uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Ter illustratie wijst de voorzieningenrechter op het ter zitting gegeven voorbeeld van de Stichtingen, dat de omgevingsvergunning die is aangevraagd en waarvoor op 1 oktober 2025 een omgevingsvergunning is verleend, uitgaat van onder andere een ander stalsysteem dan het stalsysteem waarvan bij het wijzigingsplan is uitgegaan met andere ruimtelijke gevolgen dan waarvan bij het wijzigingsplan is uitgegaan. 7.4. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het wijzigingsplan in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld. Verder heeft de Maatschap op de zitting toegelicht dat zij nog geen gebruik kan maken van de bij besluit van 1 oktober 2025 verleende omgevingsvergunning en nog niet kan beginnen met de bouw van de drie stallen, omdat er nog geen vergunning voor een Natura 2000-activiteit is verleend. Alles afwegende ziet de voorzieningenrechter op grond van het bovenstaande aanleiding om het wijzigingsplan te schorsen. 7.5. Overigens wijst de voorzieningenrechter erop dat het college of de Maatschap bij een wijziging van de omstandigheden om opheffing van de voorlopige voorziening kan verzoeken. Conclusie en proceskosten 8. Het verzoek wordt toegewezen. 9. Het college moet de proceskosten van de Stichtingen vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. wijst het verzoek toe; II. schorst het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eersel van 9 mei 2023 tot vaststelling van het wijzigingsplan "[locatie] te Wintelre"; III. schorst het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eersel van 16 oktober 2024 tot gewijzigde vaststelling van het wijzigingsplan "[locatie] Wintelre"; IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eersel tot vergoeding van bij Stichting Groen Kempenland en Stichting Milieuwerkgroep Kempenland in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.917,85, waarvan € 1.868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Eersel aan Stichting Groen Kempenland en Stichting Milieuwerkgroep Kempenland het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 365,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier. w.g. Kaajan voorzieningenrechter w.g. Nales griffier Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026 680-1150 BIJLAGE Bestemmingsplan "Buitengebied 2017" Artikel 3.2.2 Bebouwing binnen bouwvlak Ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' mogen uitsluitend worden opgericht: a. agrarische bedrijfsgebouwen; met dien verstande dat een toename van de oppervlakte van