Rechtspraak Raad van State 2026-01-21
ECLI:NL:RVS:2026:339
202206004/1/R2. Datum uitspraak: 21 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante] en anderen, alle gevestigd dan wel wonend in Roosendaal, appellanten, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 september 2022 in zaken nrs. 22/3536 en 22/3537 in het geding tussen: [appellante] en anderen en het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal. Procesverloop Bij besluit van 3 augustus 2021 heeft het college aan Ice Agency B.V. een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) voor het realiseren van migrantenhuisvesting op het perceel aan de Atoomweg 22 in Roosendaal. Bij besluit van 28 april 2022 heeft het college het door [appellante] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en een aanvullend voorschrift aan de vergunning verbonden. Bij uitspraak van 30 september 2022 heeft de rechtbank het door [appellante] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 april 2022 vernietigd en het college opgedragen om binnen 6 weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak hebben [appellante] en anderen hoger beroep ingesteld. Het college en Ice Agency hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij besluit van 31 augustus 2023 heeft het college opnieuw op het bezwaar van [appellante] en anderen beslist en de omgevingsvergunning met verbeterde motivering gehandhaafd. Bij besluit van 4 juni 2024 heeft het college de omgevingsvergunning met verbeterde motivering gehandhaafd en drie voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden. Bij besluit van 4 februari 2025 heeft het college de omgevingsvergunning met verbeterde motivering gehandhaafd en twee voorschriften die bij het besluit van 4 juni 2024 aan de omgevingsvergunning waren verbonden, vervangen. [appellante] en anderen hebben gronden ingediend tegen de besluiten van 31 augustus 2023, 4 juni 2024 en 4 februari 2025. Ice Agency en [appellante] en anderen hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 juni 2025, waar [appellante] en anderen, vertegenwoordigd door mr. R.M. Königel, advocaat in Etten-Leur, en vergezeld van [gemachtigde A] en ir. T.H.M. Houterman, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A. Mohuddy en mr. E. Euverman, advocaten in Breda, zijn verschenen. Verder is op zitting Ice Agency, vertegenwoordigd door mr. M. Fleers en mr. C.A.B. Geertman, advocaten in Den Haag, en vergezeld van [gemachtigde B], [gemachtigde C] en [gemachtigde D], als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 18 maart 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. Ice Agency is eigenaar van het perceel aan de Atoomweg 22 in Roosendaal (hierna: het perceel). Het perceel ligt in het gebied van het bestemmingsplan "Majoppeveld". Het college heeft een omgevingsvergunning verleend aan Ice Agency voor de huisvesting van 300 arbeidsmigranten. Met de omgevingsvergunning wordt afgeweken van het bestemmingsplan, omdat de huisvesting van arbeidsmigranten niet past binnen de bestemming "Bedrijventerrein - 4". Volgens het college is er in Nederland en dus ook in Roosendaal een per Daarnaast is in de omgevingsvergunning voorgeschreven dat de arbeidsmigranten elders hun hoofdverblijf houden. Verder blijkt uit de bouwtekeningen en de ruimtelijke onderbouwing bij de omgevingsvergunning dat de verblijfsunits een gedeelde keuken en badkamer hebben en dat er op het perceel verschillende centrale voorzieningen, zoals een sportveld, klaslokaal en een wasserette, aanwezig zijn. Ice Agency heeft ook aangegeven dat er permanent een beheerder aanwezig is op het perceel, dat er bewaking is door middel van camera’s en dat er een nachtregister wordt bijgehouden. Gelet op deze omstandigheden heeft het vergunde verblijf een onvoldoende duurzaam karakter om dit als "wonen" te kunnen aanmerken, aldus de voorzieningenrechter. De Afdeling is het eens met dit oordeel en ziet in wat [appellante] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor een ander oordeel. Wat de toelichting van Ice Agency betreft dat op het perceel een beheerder aanwezig is, wijst de Afdeling hierbij op wat hierna in deze uitspraak onder 7.1 wordt overwogen. De door [appellante] en anderen genoemde uitspraken leiden niet tot een ander oordeel, omdat de omstandigheden daarin over de tijdelijkheid van het verblijf en de aanwezige voorzieningen niet voldoende vergelijkbaar waren. Voor zover zij aanvoeren dat het feitelijk gebruik zal afwijken van het vergunde gebruik, is dat een kwestie van handhaving. Het betoog slaagt niet. Strijd met beleid van de gemeente Roosendaal 5. [appellante] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de omgevingsvergunning in overeenstemming is met de toetsingscriteria voor grootschalige huisvesting als bedoeld in bijlage 1 van de nota. De rechtbank heeft volgens hen ten onrechte overwogen dat het feit dat het perceel midden op het bedrijventerrein ligt, niet maakt dat er strijd is met de gezichtspunten van het beleid. De rechtbank heeft volgens hen niet onderkend dat onvoldoende maatwerk is toegepast. Zij voeren aan dat er sprake is van een groot complex waar een groot aantal arbeidsmigranten wordt gehuisvest, terwijl er geen voorzieningen zijn getroffen om dit complex in de omgeving te integreren. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de in de raad aangenomen motie, die ertoe strekt geen huisvesting mogelijk te maken op locaties met bedrijfscategorie hoger dan 3.2, uitsluitend een politieke aangelegenheid is. 5.1. In bijlage 1 bij de nota is onder meer opgenomen dat bij het zoeken van passende huisvestingslocaties voor arbeidsmigranten wordt gekeken naar de mogelijkheden voor het benutten van leegstand of leegkomend vastgoed, zoals kantoren, hotels en maatschappelijk vastgoed. Geclusterde huisvesting midden in een woonwijk, dorp of binnenstad wordt niet wenselijk geacht. Situering van grotere huisvesting op (randen van) bedrijventerreinen is een optie op basis van maatwerk. 5.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit de nota niet volgt dat de huisvesting van arbeidsmigranten op het perceel uitgesloten is. De rechtbank heeft hierover terecht overwogen dat er geen dwingende volgorde geldt ten aanzien van de locaties. Zoals de voorzieningenrechter van de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 27 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3986, onder 11.2, mocht het college in zijn beoordeling betrekken dat Ice Agency eigenaar is van het perceel, waardoor een andere locatie dan op het bedrijventerrein minder voor de hand ligt. Hierbij heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat er in de gemeente Roosendaal een dringende behoefte is aan huisvesting voor arbeidsmigranten, maar dat het bestaande leegstaande vastgoed in de gemeente niet in deze behoefte kan voorzien. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college bij de situering op het bedrijventerrein in voldoende mate maatwerk heeft toegepast. Zo zijn voorzieningen getroffen om de huisvesting van de arbeidsmigranten in de omgeving te laten integreren. De rechtbank heeft ten slotte terecht overwoge De voorschriften die de Afdeling mede relevant acht in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zijn de onderstaande voorschriften: - De vergunninghouder stelt een beheerder aan van de logiesgebouwen; - Er wordt voor de logiesgebouwen een nachtregister bijgehouden, waarin de volledige namen van de arbeidsmigranten worden genoteerd, alsmede de datum van aankomst en vertrek. 7.4. De bovenstaande voorschriften zullen bij wijze van zelf voorzien door de Afdeling worden verbonden aan de omgevingsvergunning van 3 augustus 2021. Conclusie hoger beroep 8. Het hoger beroep is gegrond. 9. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, door de voorschriften genoemd onder 7.3 aan de omgevingsvergunning te verbinden. 10. Het college moet de proceskosten van [appellante] en anderen vergoeden. De besluiten van 31 augustus 2023, 4 juni 2024 en 4 februari 2025 11. Bij besluit van 31 augustus 2023 heeft het college opnieuw op het bezwaar van [appellante] en anderen beslist en de omgevingsvergunning met verbeterde motivering gehandhaafd. Bij besluiten van 4 juni 2024 en 4 februari 2025 heeft het college herstelbesluiten genomen naar aanleiding van de gebreken die de voorzieningenrechter van de Afdeling in de uitspraken van 27 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3986, en 30 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3062, heeft geconstateerd. Aan het besluit van 4 februari 2025 heeft het college het rapport "Onderzoek industrielawaai Atoomweg 22 Roosendaal" van Econsultancy van 9 oktober 2024 en het rapport "Huisvestingsvoorzieningen Atoomweg Roosendaal" van DGMR van 9 oktober 2024 (hierna: de rapporten van 9 oktober 2024) ten grondslag gelegd. Ook is het bouwplan gewijzigd, waarbij blok 3 en 4 ten opzichte van het oorspronkelijke bouwplan 1,7 m noordwaarts gerealiseerd worden. De besluiten worden, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. [appellante] en anderen hebben gronden ingediend tegen de besluiten. De geconstateerde gebreken door de voorzieningenrechter 12. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft in de uitspraak van 27 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3986, onder 13.4, in het besluit van 31 augustus 2023 meerdere gebreken geconstateerd. Ten eerste is onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke specifieke uitbreidingsmogelijkheden [appellante] en anderen op grond van de maximale planologische mogelijkheden hebben en wat de gevolgen daarvan zijn voor de geluidbelasting op het logiesgebouw. Ten tweede is uitgegaan van Atoomweg 22 als maatgevend geluidsgevoelig object, maar is bij het berekenen van de geluidbelasting geen rekening gehouden met de situering van deze bedrijfswoning, nog daargelaten dat is gebleken dat in de nieuwe situatie van een bedrijfswoning geen sprake meer zal zijn. Deze voormalige bedrijfswoning ligt namelijk op een grotere afstand van de bedrijven dan de beoogde verblijfsunits op het perceel. Ten derde is beschreven dat de verblijfsunits een minimale gevelwering van 20 dB moeten hebben, maar dat niet kan worden vastgesteld of met dit voorschrift een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat is gewaarborgd, zolang de maximale geluidsniveaus niet bekend zijn. 13. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft vervolgens in de uitspraak van 30 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3062, onder 11, in het besluit van 4 juni 2024 nog steeds een gebrek geconstateerd. Volgens de voorzieningenrechter is in het akoestisch onderzoek weliswaar uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van de omliggende percelen, maar zijn daarbij te lage maximale brongeluidniveaus tot uitgangspunt genomen. Daarom is niet inzichtelijk welke geluidniveaus ten hoogste op de gevels van de logiesgebouwen kunnen ontstaan, en daarmee wat de minimale gevelwering moet zijn voordat sprake kan zijn van een aanvaardbaar akoestisch wo De gronden van het beroep tegen het besluit van 4 februari 2025 Aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat 16. [appellante] en anderen betogen dat de huisvesting van arbeidsmigranten op het perceel niet in overeenstemming is met een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Daarvoor verwijzen zij naar de memo van Cauberg Huygen van 14 maart 2025 (hierna: de memo van 14 maart 2025), die een beoordeling geeft van de rapporten van 9 oktober 2024. Zij voeren aan dat het college ten onrechte is uitgegaan van logies en niet van wonen in de berekening voor de geluidbelasting. Hierdoor zijn de units ten onrechte niet als geluidgevoelig aangemerkt. Bovendien geldt ook voor logies dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Verder voeren [appellante] en anderen aan dat het door het college gehanteerde "tweesporenbeleid" van toetsing aan enerzijds het Activiteitenbesluit milieubeheer en anderzijds de VNG-brochure onduidelijk is. Volgens hen zijn de geluidgrenswaarden uit artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit, die gelden op de gevels van de gebouwen, leidend en niet de richtafstand en milieucategorie van de VNG-brochure. Zij betogen dat ten onrechte nog steeds wordt gerekend vanuit de bedrijfswoning Atoomweg 22 en niet vanuit de maximale geluidniveaus op de gevels van de verblijfsunits. De units zijn dichter bij de grens van hun inrichtingen geprojecteerd dan de bedrijfswoning Atoomweg 22, zodat de units voor hen maatgevend zijn. Volgens hen is verder wat betreft het binnenniveau in de units ten onrechte niet uitgegaan van de geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau van 55, 50 en 45 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode in in- en aanpandige gevoelige gebouwen op een bedrijventerrein in artikel 2.17, derde lid, en de bijbehorende tabel 2.17c van het Activiteitenbesluit. Ook voeren zij aan dat in de rapportage ten onrechte een theoretische benadering is toegepast, wat volgens hen niet in overeenstemming is met de uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2024. Zo is er geen rekening gehouden met het feit dat bijvoorbeeld bij Van Osta Internationaal Transportbedrijf B.V. zeven dagen per week, 24 uur per dag, transportbewegingen plaatsvinden aan de Atoomweg 12, 14-16 en 18. Per 24 uur vinden minimaal 40 vrachtbewegingen plaats, waarvan in de nacht ongeveer 13 vrachtbewegingen en nog eens 7 vrachtbewegingen van PostNL. Daarnaast betogen [appellante] en anderen dat verschillende van hun bedrijven niet zijn meegenomen in de geluidbelasting, waardoor de cumulatieve geluidbelasting hoger kan uitvallen dan is ingeschat in het rapport van Econsultancy. Ook kan de geluidbelasting op de units zijn onderschat, omdat vanwege mogelijke afscherming richting bedrijfswoning Atoomweg 22 daar ook met hogere bronniveaus aan de geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Er is verder geen rekening gehouden met de aanwezige bebouwing op het bedrijventerrein, waardoor mogelijke reflectie en andere geluidseffecten niet zijn meegenomen in de rapportage. Ook zijn bijzondere soorten geluid niet meegenomen in de beoordeling, waardoor niet met zekerheid kan worden vastgesteld of sprake is van tonaal geluid, impulsgeluid, enzovoort, waarvoor een strafcorrectie van toepassing zou kunnen zijn. Er zou in dat verband specifiek onderzoek gedaan moeten worden naar daadwerkelijke bedrijfsvoering van de bedrijven in de omliggende omgeving. Ook is volgens hen in de rapportage ten onrechte de "Handreiking zonebeheerplan" tot uitgangspunt genomen. In de rapportage is volgens hen geen inzicht gegeven in de voor de bedrijven gehanteerde bronvermogens. Gezien de al bekende informatie is de reductie die nodig is om te voldoen aan de normstelling ter hoogte van de bedrijfswoning Atoomweg 22 volgens hen fors. Volgens hen kunnen er plaatselijk grote verschillen optreden met wat door Econsultancy is berekend. Daarom kan volgens hen niet worden geconcludeerd dat de karakteristieke gevelwering van de units 35 tot 41 dB(A) dient te zijn. H In voorschrift a is bepaald: "De karakteristieke geluidwering van de te realiseren logiesgebouwen moet ten minste gelijk zijn aan de waarden zoals weergegeven in figuur 1 van bijlage 3 bij dit besluit [onder meer: 41 dB op begane grond en eerste verdieping van de zuidgevel van blok 3 en 4], met dien verstande dat de karakteristieke geluidwering op de zuidgevel van blok 3 en 4 ten minste gelijk moet zijn aan: • 38 dB op de tweede verdieping; en • 35 dB op de derde verdieping." In voorschrift b is bepaald: "Voordat blok 3 en blok 4 (zoals weergegeven op bijlage 3 bij dit besluit) in gebruik kunnen worden genomen moet door metingen in een proefunit aangetoond worden dat de karakteristieke geluidwering ten aanzien van blok 3 en blok 4 ten minste gelijk is aan de waarden zoals weergegeven op figuur 1 van bijlage 3 [onder meer: 41 dB op begane grond en eerste verdieping van de zuidgevel van blok 3 en 4], met dien verstande dat de karakteristieke geluidwering op de zuidgevel van blok 3 en 4 ten minste gelijk moet zijn aan: • 38 dB op de tweede verdieping, en • 35 dB op de derde verdieping." 16.3. Voor zover [appellante] en anderen aanvoeren dat sprake is van wonen en niet van logies en dat daarom de berekening gebrekkig is, verwijst de Afdeling naar overweging 4.1. Dit betekent dat het college ten aanzien van de units terecht niet is uitgegaan van de grenswaarden van artikel 2.17, derde lid, van het Activiteitenbesluit. Dat neemt, zoals [appellante] en anderen hebben aangevoerd, niet weg dat er wat de units betreft sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Bij de afweging of daarvan sprake is heeft het college, zoals het heeft gesteld, beleidsruimte. Het college heeft het woon- en verblijfsklimaat in de units beoordeeld aan de hand van berekeningen van de geluidbelasting ter plaatse van de logiesgebouwen. Bij die berekening heeft het college als vertrekpunt gehanteerd de hoogte van de maximale bronvermogens waarvan bij de bedrijven sprake mag zijn om de geluidnormen bij het geluidgevoelige object (de bedrijfswoning) aan de Atoomweg 22 niet te overschrijden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college voor deze wijze van beoordeling mogen kiezen. Aangezien de units geen geluidgevoelig object zijn, was er geen grond en mogelijkheid om de bronvermogens te herleiden uit grenswaarden voor maximale geluidniveaus op de gevels van de verblijfsunits. Voor zover [appellante] en anderen hebben aangevoerd dat ten gevolge van de afschermende werking van de units ook met hogere bronniveaus nog aan de geluidgrenswaarden bij de Atoomweg 22 kan worden voldaan, heeft het college voldoende toegelicht dat met deze afscherming geen rekening behoeft te worden gehouden, omdat er geen gehoudenheid bestaat deze afscherming in stand te houden. Het college is bij de toetsing aan de geluidgrenswaarden bij Atoomweg 22 nu uitgaan van de juiste, hogere geluidgrenswaarden van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit, zodat het desbetreffende door de voorzieningenrechter in de uitspraak van 30 juli 2024 geconstateerde gebrek, is hersteld. Verder is in de rapportage van 9 oktober 2024 terecht, in lijn met de uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2024, een theoretische benadering toegepast, waarbij is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden voor bedrijfsactiviteiten in de milieucategorieën 3.2, 4.1 en 4.2. Er was dan ook geen aanleiding om nader onderzoek te doen naar de daadwerkelijke bedrijfsvoering van de bedrijven in de omliggende omgeving. Voorts acht de Afdeling het niet aannemelijk dat de door [appellante] en anderen genoemde bijzondere soorten geluid waarvoor een strafcorrectie van toepassing zou kunnen zijn, zich binnen de bestemming zodanig vaak zouden kunnen voordoen dat daarmee bij een representatieve invulling van de maximale planmogelijkheden rekening had moeten worden gehouden. [appellante] en anderen hebben met de memo van 14 maart 2025 onvoldoende twijfel gezaaid bij de berekeningen in de rappor