Rechtspraak Raad van State 2026-06-10
ECLI:NL:RVS:2026:3334
Bij besluit van 21 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan Ruimer Leven B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het herstellen van de fundering, het intern verbouwen en het maken van een uitbouw aan de achterzijde van het pand op de begane grond, het maken van een kelder onder het gebouw en de uitbouw en het maken van een koekoek aan de voor- en achterzijde op het adres [locatie] in Amsterdam. Het bouwplan voorziet onder meer in de bouw van een kelder onder de woning op het perceel. Op de kelder zal aan de achterkant op de begane grond een uitbouw met een diepte van 2,5 m worden gebouwd. Het bouwplan is op meerdere onderdelen in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Stadion- en Beethovenbuurt 2012". In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de vergunde uitbouw aan de achterzijde van de woning op het perceel. 202304583/1/R1. Datum uitspraak: 10 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Amsterdam, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 mei 2023 in zaak nr. 22/5087 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 21 juli 2021 heeft het college aan Ruimer Leven B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het herstellen van de fundering, het intern verbouwen en het maken van een uitbouw aan de achterzijde van het pand op de begane grond, het maken van een kelder onder het gebouw en de uitbouw en het maken van een koekoek aan de voor- en achterzijde op het adres [locatie] in Amsterdam. Bij besluit van 14 september 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit, onder toevoeging van twee voorschriften, in stand gelaten. Bij uitspraak van 26 mei 2023 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 april 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.E. van der Meijs, advocaat in Zoetermeer, en het college, vertegenwoordigd door M.G. Spiegelenburg, zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 12 maart 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. Het bouwplan voorziet onder meer in de bouw van een kelder onder de woning op het perceel. Op de kelder zal aan de achterkant op de begane grond een uitbouw met een diepte van 2,5 m worden gebouwd. Het bouwplan is op meerdere onderdelen in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Stadion- en Beethovenbuurt 2012". In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de vergunde uitbouw aan de achterzijde van de woning op het perceel. Om deze uitbouw mogelijk te maken heeft het college gebruik gemaakt van de bevoegdheid op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Bij de gebruikmaking van die bevoegdheid hanteert het college de "Beleidsregels afwijking omgevingsvergunning" (beleidsregels). Hierin is vastgelegd dat voor aan- en uitbouwen die in strijd zijn met het bestemmingsplan, geen afwijking van het bestemmingsplan wordt verleend, tenzij zich een van de genoemde uitzonderingen voordoet. Het college heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat sprake is van een van deze uitzonderingen en dat het bouwplan dus voldoet aan de beleidsregels. Omdat in de beleidsregels al rekening is gehouden met de gevolgen van een uitbouw voor de lichtinval van buurpanden, ziet het college in de beperkte afname van lichtinval in de woning van [appellant] geen reden om van de beleidsregel af te wijken. [appellant] woont naast het perceel en verzet zich tegen de verleende omgevingsvergunning. Hij vreest voor aantasting van zijn woongenot. Overdracht eigendom 3. Op de zitting heeft [appellant] gezegd dat de passage in het hogerberoepschrift over de overdracht van de eigendom van het pand op het perceel geen beroepsgrond is. De gronden van het hoger beroep 4. [appellant] voert aan dat de rechtbank had moeten oordelen dat het bouwplan in strijd is met artikel 3.77 van het Bouwbesluit 2012. Onder verwijzing naar de door hem in bezwaar overgelegde bezonningsstudie heeft hij hierover aangevoerd dat de daglichtinval in zijn woning nu al niet voldoet aan het Bouwbesluit en de daarin opgenomen wettelijke NEN-norm voor daglichttoetreding en dat er met de uitbouw nog minder daglicht in zijn woning zal komen. Volgens [appellant] is verlening en gebruikmaking van de omgevingsvergunning daarom in strijd met artikel 1a van de Woningwet. [appellant] heeft verder aangevoerd dat het college bij de vergunningverlening onvoldoende rekening heeft gehouden met de negatieve gevolgen die de uitbouw zal hebben op zijn gezondheid en woongenot door de afname van lichtinval in zijn woning. Bij de totstandkoming van de beleidsregels is dat volgens [appellant] niet voldoende meegenomen. Omdat duidelijk is dat de uitvoering van het bouwplan zal leiden tot onrechtmatige hinder had het verder op de weg van het college gelegen om ter voorkoming van civiele procedures te komen tot afstemming van alle belangen, aldus [appellant]. 4.1. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. 4.2. Het college heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat het aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Dat de uitbouw aan de achterzijde van de woning op zichzelf voldoet aan de normen van afdeling 3.11 van het Bouwbesluit over daglichttoetreding is ook niet in geschil. [appellant] stelt echter dat in zijn woning nu al niet wordt voldaan aan de daglichttoetredingsnormen uit het Bouwbesluit en dat de uitbouw dit nog erger maakt. Deze gestelde strijd met de daglichteisen van het Bouwbesluit gaat dus niet over het bouwplan dat het college moet toetsen. De rechtbank heeft daarin dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. 4.3. Maar dat neemt niet weg dat de gevolgen voor lichtinval in de woning van [appellant] uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening wel moeten worden meegewogen in de belangenafweging die het college moet verrichten bij het verlenen van de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo. Het college mocht zich voor de uitbouw baseren op de beleidsregels. De rechtbank vond dat terecht ook. In de beleidsregels is onder regel 5 "Aan- en uitbouwen of bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken" een regeling opgenomen die de bouw van een uitbouw van maximaal 2,5 m diep binnen het beschermd stadsgezicht "Plan Zuid" toestaat.