Rechtspraak Raad van State 2026-01-21
ECLI:NL:RVS:2026:332
202407569/1/V6. Datum uitspraak: 21 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 november 2024 in zaak nr. 24/3182 in het geding tussen: [appellant] en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 30 januari 2024 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het naturalisatieverzoek) afgewezen. Bij besluit van 26 maart 2024 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 november 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. D. Gürses, advocaat in Utrecht, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door drs. J.M. Sidler, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] heeft de Surinaamse nationaliteit. Hij heeft vanaf 4 januari 2019 een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij zijn Nederlandse partner. Vanaf 4 maart 2019 staan [appellant] en zijn partner in de Basisregistratie Personen ingeschreven op hetzelfde adres. [appellant] heeft door familieomstandigheden van 2 juli 2022 tot en met 9 maart 2023 in Suriname verbleven. Zijn partner is met hem naar Suriname gereisd en na een paar weken weer terug naar Nederland gegaan. [appellant] heeft op 13 juli 2023 het naturalisatieverzoek ingediend. 2. De staatssecretaris heeft het naturalisatieverzoek afgewezen, omdat [appellant] in de vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan het naturalisatieverzoek niet onafgebroken zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehad. Hierdoor voldoet [appellant] niet aan het vereiste van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN). Ook is volgens de staatssecretaris de verkorte termijn van drie jaar uit artikel 8, vierde lid, van de RWN niet op [appellant] van toepassing, omdat hij door zijn verblijf in Suriname in de periode onmiddellijk voorafgaand aan het naturalisatieverzoek niet drie jaar met zijn partner heeft samengeleefd. Er zijn volgens de staatssecretaris geen bijzondere omstandigheden, die maken dat hij [appellant] op grond van artikel 10 van de RWN alsnog het Nederlanderschap moet verlenen. De rechtbank is de staatssecretaris hierin gevolgd. 3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Is de verkorte termijn van drie jaar van toepassing? 4. [appellant] betoogt dat de staatssecretaris het naturalisatieverzoek had moeten inwilligen, omdat de verkorte termijn uit artikel 8, vierde lid, van de RWN wel op hem van toepassing is. De rechtbank heeft niet onderkend dat zijn tijdelijke verblijf van 2 juli 2022 tot en met 9 maart 2023 in Suriname de samenwoning met zijn partner niet heeft onderbroken. Hierbij is volgens [appellant] van groot belang dat hij in Suriname verbleef en Suriname qua taal en cultuur op Nederland lijkt. [appellant] wijst er verder op dat ondanks zijn verblijf in Suriname zijn verblijfsvergunning niet is ingetrokken, dat hij en zijn partner in deze periode dagelijks contact hadden en dat zij in deze periode een duurzame en exclusieve relatie hadden. Verder heeft [appellant] van 4 januari 2019 tot en met 4 januari 2022 drie jaar onafgebroken met zijn partner in Nederland samengewoond. Ook daarom voldoet hij aan het vereiste gesteld in artikel 8, vierde lid, van de RWN. 4.1. De rechtbank is terecht de staatssecretaris gevolgd in zijn standpunt dat [appellant] niet in aanmerking komt voor toepassing van de verkorte termijn uit artikel 8, vierde lid, van de RWN. Om hiervoor in aanmerking te komen moet de verzoeker op grond van ar 5.3. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat de staatssecretaris zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat zich geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 10 van de RWN voordoen. In de Handleiding RWN, paragraaf 1 van het beleid voor artikel 10 van de RWN, staat dat het uitgangspunt is dat deze bepaling de mogelijkheid biedt om in zeer bijzondere gevallen af te wijken van bepaalde in de RWN gestelde vereisten. Het moet gaan om gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige belangen van een van de landen van het Koninkrijk zich voordoen. Ook om humanitaire redenen kan worden afgeweken van de geldende vereisten voor naturalisatie. De staatssecretaris heeft zich gelet op dit beleid redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het onvoldoende bijzonder is dat [appellant] uit Suriname komt, de Nederlandse taal spreekt en de Nederlandse normen en waarden in belangrijke mate deelt. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de relatie met zijn partner heeft voortgeduurd. Ook hoefde de staatssecretaris in deze omstandigheden geen reden te zien om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van het in de Handleiding RWN neergelegde beleid af te wijken. 5.4. De hogerberoepsgronden slagen niet. Heeft de staatssecretaris in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn en de hoorplicht gehandeld? 6. [appellant] betoogt ten slotte dat de afwijzing van het naturalisatieverzoek in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn en dat de staatssecretaris de hoorplicht heeft geschonden. Deze hogerberoepsgronden zijn zo goed als een herhaling van wat [appellant] in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5.3 en 7 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. 6.1. De hogerberoepsgronden slagen niet. Conclusie 7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.E. de Ruijter, griffier. w.g. De Poorter lid van de enkelvoudige kamer w.g. De Ruijter griffier Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026 887-1127 BIJLAGE Rijkswet op het Nederlanderschap Artikel 8 1. Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker […] c. die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft; [..] 4. De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op drie jaren gesteld voor de verzoeker die hetzij ongehuwd tenminste drie jaren onafgebroken met een ongehuwde Nederlander in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleeft, hetzij staatloos is, tenzij het Nederlanderschap eerder is ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid. […] Artikel 10 Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, en de termijn genoemd in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid. Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:4 1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. 2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te