Rechtspraak
Raad van State
2026-05-20
ECLI:NL:RVS:2026:2915
Bestuursrecht
Hoger beroep
3,961 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2915 text/xml public 2026-05-20T10:31:35 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-20 202203921/1/A3 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2915 text/html public 2026-05-20T10:17:34 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2915 Raad van State , 20-05-2026 / 202203921/1/A3 Bij besluit van 16 april 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven het verzoek van [appellante] om wijziging van haar persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. [appellante] staat in de brp ingeschreven als [naam], geboren op [geboortedatum] 2000 in Arnhem. Deze gegevens zijn ontleend aan haar geboorteakte. Volgens de geboorteakte is haar vader [persoon A] en haar moeder [persoon B]. [appellante] heeft het college op 17 mei 2019 verzocht om op grond van artikel 2.58 van de Wet brp, haar persoonsgegevens te wijzigen naar [naam B], met als ouders [ouder A], geboren op [geboortedatum] 1972 in Idil, Turkije en [ouder B], geboren op [geboortedatum] 1978 in Idil, Turkije. [appellante] stelt zich op het standpunt dat haar ouders een valse identiteit hebben aangenomen toen zij in Nederland aankwamen. 202203921/1/A3. Datum uitspraak: 20 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in Eindhoven, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 mei 2022 in zaak nr. 21/424 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven. Procesverloop Bij besluit van 16 april 2020 heeft het college het verzoek van [appellante] om wijziging van haar persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. Bij besluit van 7 januari 2021 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 mei 2022 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellante] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. D. Gürses, advocaat in Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door drs. N.M.H.A. van Hirtum en mr. S.E. Kordi, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellante] staat in de brp ingeschreven als [naam], geboren op [geboortedatum] 2000 in Arnhem. Deze gegevens zijn ontleend aan haar geboorteakte. Volgens de geboorteakte is haar vader [persoon A] en haar moeder [persoon B]. [appellante] heeft het college op 17 mei 2019 verzocht om op grond van artikel 2.58 van de Wet brp, haar persoonsgegevens te wijzigen naar [naam B], met als ouders [ouder A], geboren op [geboortedatum] 1972 in Idil, Turkije en [ouder B], geboren op [geboortedatum] 1978 in Idil, Turkije. [appellante] stelt zich op het standpunt dat haar ouders een valse identiteit hebben aangenomen toen zij in Nederland aankwamen. 2. Bij haar aanvraag heeft [appellante] de volgende stukken verstrekt: - De geboorteakte van [nam A] [appellante], opgemaakt op 27 december 2000 in Arnhem; - Een verblijfsvergunning van [naam A] van 6 oktober 2015. 3. Het college heeft het verzoek afgewezen. Volgens het college bieden de documenten die door de ouders van [appellante] zijn overgelegd, onvoldoende aanknopingspunten om de over hen in de brp opgenomen gegevens te wijzigen. Dit betekent volgens het college ook dat de in de brp opgenomen gegevens van [appellante] niet onjuist zijn. Uitspraak van de rechtbank 4. De rechtbank heeft overwogen dat de uitkomst in de procedure van [appellante] afhankelijk is van de uitkomst in de procedure van haar ouders. De gegevens die over haar in de brp zijn opgenomen, zijn ontleend aan haar Nederlandse geboorteakte. Daarop staan ook de oudergegevens die volgens [appellante] en haar ouders onjuist zijn. Pas als blijkt dat de gegevens van haar ouders in de brp niet juist zijn, kan worden aangenomen dat aanleiding bestaat om ook de gegevens van [appellante] te wijzigen. Omdat de rechtbank in de zaken van haar ouders heeft geoordeeld dat onvoldoende is aangetoond dat de over hen in de brp opgenomen persoonsgegevens onjuist zijn, kan ook van [appellante] niet worden aangenomen dat haar gegevens onjuist in de brp zijn opgenomen. Hoger beroep 5. In de uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980 (de overzichtsuitspraak) heeft de Afdeling uiteengezet hoe gemeenten moeten omgaan met verzoeken om iemands identiteitsgegevens te wijzigen in de brp. De Afdeling verwijst voor het toetsingskader naar die uitspraak en zal dit toepassen bij de beoordeling van het hoger beroep. 6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is aangetoond dat haar gegevens in de brp onjuist zijn, omdat onvoldoende is aangetoond dat de gegevens van haar ouders in de brp onjuist zijn. [appellante] wijst daarbij op de gronden die haar ouders in hoger beroep hebben aangevoerd tegen de besluiten van het college om hun verzoeken om wijziging van hun persoonsgegevens in de brp, af te wijzen. [appellante] stelt dat haar ouders met de door hen overgelegde documenten wel hebben aangetoond dat de over hen in de brp opgenomen gegevens onjuist zijn. Om die reden moeten haar gegevens in de brp ook worden gewijzigd. 7. De Afdeling heeft in haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:2794, geoordeeld dat uit een brondocument van de heer [persoon A], volgens de geboorteakte de vader van [appellante], buiten redelijke twijfel volgt dat hij de persoon [ouder A] is. Daarnaast heeft de Afdeling in haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:2795, geoordeeld dat uit een brondocument van mevrouw [persoon B], volgens de geboorteakte de moeder van [appellante], buiten redelijke twijfel volgt dat zij de persoon [ouder B] is. Uit deze uitspraken volgt dus dat de gestelde identiteit van de ouders van [appellante] buiten redelijke twijfel juist is. Daarnaast heeft het college ter zitting bij de Afdeling desgevraagd aangegeven dat als de uitkomst in de zaken van de ouders van [appellante] zou zijn dat hun aanvragen om wijziging van hun persoonsgegevens in de brp moeten worden ingewilligd, dit aanleiding kan zijn om het verzoek van [appellante] in te willigen. Gelet op de uitkomsten in de hiervoor genoemde zaken, moet het college een nieuw besluit op het bezwaar van [appellante] nemen. 8. Het betoog slaagt. Conclusie 9. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling zal de aangevallen uitspraak vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 7 januari 2021 vernietigen vanwege strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Afdeling zal het college opdragen om met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen en hiervoor een termijn stellen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bepaalt de Afdeling met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld. 10. Het college moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 mei 2022 in zaak nr. 21/424; III. verklaart het beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van 7 januari 2021, kenmerk BZ-20-0518-002; V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; VI. bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld; VII.
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2915 text/xml public 2026-05-20T10:31:35 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-20 202203921/1/A3 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2915 text/html public 2026-05-20T10:17:34 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2915 Raad van State , 20-05-2026 / 202203921/1/A3 Bij besluit van 16 april 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven het verzoek van [appellante] om wijziging van haar persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. [appellante] staat in de brp ingeschreven als [naam], geboren op [geboortedatum] 2000 in Arnhem. Deze gegevens zijn ontleend aan haar geboorteakte. Volgens de geboorteakte is haar vader [persoon A] en haar moeder [persoon B]. [appellante] heeft het college op 17 mei 2019 verzocht om op grond van artikel 2.58 van de Wet brp, haar persoonsgegevens te wijzigen naar [naam B], met als ouders [ouder A], geboren op [geboortedatum] 1972 in Idil, Turkije en [ouder B], geboren op [geboortedatum] 1978 in Idil, Turkije. [appellante] stelt zich op het standpunt dat haar ouders een valse identiteit hebben aangenomen toen zij in Nederland aankwamen. 202203921/1/A3. Datum uitspraak: 20 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in Eindhoven, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 mei 2022 in zaak nr. 21/424 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven. Procesverloop Bij besluit van 16 april 2020 heeft het college het verzoek van [appellante] om wijziging van haar persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. Bij besluit van 7 januari 2021 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 mei 2022 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellante] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. D. Gürses, advocaat in Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door drs. N.M.H.A. van Hirtum en mr. S.E. Kordi, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellante] staat in de brp ingeschreven als [naam], geboren op [geboortedatum] 2000 in Arnhem. Deze gegevens zijn ontleend aan haar geboorteakte. Volgens de geboorteakte is haar vader [persoon A] en haar moeder [persoon B]. [appellante] heeft het college op 17 mei 2019 verzocht om op grond van artikel 2.58 van de Wet brp, haar persoonsgegevens te wijzigen naar [naam B], met als ouders [ouder A], geboren op [geboortedatum] 1972 in Idil, Turkije en [ouder B], geboren op [geboortedatum] 1978 in Idil, Turkije. [appellante] stelt zich op het standpunt dat haar ouders een valse identiteit hebben aangenomen toen zij in Nederland aankwamen. 2. Bij haar aanvraag heeft [appellante] de volgende stukken verstrekt: - De geboorteakte van [nam A] [appellante], opgemaakt op 27 december 2000 in Arnhem; - Een verblijfsvergunning van [naam A] van 6 oktober 2015. 3. Het college heeft het verzoek afgewezen. Volgens het college bieden de documenten die door de ouders van [appellante] zijn overgelegd, onvoldoende aanknopingspunten om de over hen in de brp opgenomen gegevens te wijzigen. Dit betekent volgens het college ook dat de in de brp opgenomen gegevens van [appellante] niet onjuist zijn. Uitspraak van de rechtbank 4. De rechtbank heeft overwogen dat de uitkomst in de procedure van [appellante] afhankelijk is van de uitkomst in de procedure van haar ouders. De gegevens die over haar in de brp zijn opgenomen, zijn ontleend aan haar Nederlandse geboorteakte. Daarop staan ook de oudergegevens die volgens [appellante] en haar ouders onjuist zijn. Pas als blijkt dat de gegevens van haar ouders in de brp niet juist zijn, kan worden aangenomen dat aanleiding bestaat om ook de gegevens van [appellante] te wijzigen. Omdat de rechtbank in de zaken van haar ouders heeft geoordeeld dat onvoldoende is aangetoond dat de over hen in de brp opgenomen persoonsgegevens onjuist zijn, kan ook van [appellante] niet worden aangenomen dat haar gegevens onjuist in de brp zijn opgenomen. Hoger beroep 5. In de uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980 (de overzichtsuitspraak) heeft de Afdeling uiteengezet hoe gemeenten moeten omgaan met verzoeken om iemands identiteitsgegevens te wijzigen in de brp. De Afdeling verwijst voor het toetsingskader naar die uitspraak en zal dit toepassen bij de beoordeling van het hoger beroep. 6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is aangetoond dat haar gegevens in de brp onjuist zijn, omdat onvoldoende is aangetoond dat de gegevens van haar ouders in de brp onjuist zijn. [appellante] wijst daarbij op de gronden die haar ouders in hoger beroep hebben aangevoerd tegen de besluiten van het college om hun verzoeken om wijziging van hun persoonsgegevens in de brp, af te wijzen. [appellante] stelt dat haar ouders met de door hen overgelegde documenten wel hebben aangetoond dat de over hen in de brp opgenomen gegevens onjuist zijn. Om die reden moeten haar gegevens in de brp ook worden gewijzigd. 7. De Afdeling heeft in haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:2794, geoordeeld dat uit een brondocument van de heer [persoon A], volgens de geboorteakte de vader van [appellante], buiten redelijke twijfel volgt dat hij de persoon [ouder A] is. Daarnaast heeft de Afdeling in haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:2795, geoordeeld dat uit een brondocument van mevrouw [persoon B], volgens de geboorteakte de moeder van [appellante], buiten redelijke twijfel volgt dat zij de persoon [ouder B] is. Uit deze uitspraken volgt dus dat de gestelde identiteit van de ouders van [appellante] buiten redelijke twijfel juist is. Daarnaast heeft het college ter zitting bij de Afdeling desgevraagd aangegeven dat als de uitkomst in de zaken van de ouders van [appellante] zou zijn dat hun aanvragen om wijziging van hun persoonsgegevens in de brp moeten worden ingewilligd, dit aanleiding kan zijn om het verzoek van [appellante] in te willigen. Gelet op de uitkomsten in de hiervoor genoemde zaken, moet het college een nieuw besluit op het bezwaar van [appellante] nemen. 8. Het betoog slaagt. Conclusie 9. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling zal de aangevallen uitspraak vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 7 januari 2021 vernietigen vanwege strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Afdeling zal het college opdragen om met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen en hiervoor een termijn stellen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bepaalt de Afdeling met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld. 10. Het college moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 mei 2022 in zaak nr. 21/424; III. verklaart het beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van 7 januari 2021, kenmerk BZ-20-0518-002; V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; VI. bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld; VII.