Rechtspraak
Raad van State
2026-05-20
ECLI:NL:RVS:2026:2909
Bestuursrecht
Hoger beroep
4,084 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2909 text/xml public 2026-05-20T10:31:58 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-20 202407368/1/A2 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2909 text/html public 2026-05-20T10:17:23 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2909 Raad van State , 20-05-2026 / 202407368/1/A2 Bij brief van 18 juli 2023 heeft de wethouder Volkshuisvesting, Wijken, Welzijn en Zuidwest gereageerd op een klacht van de broer van [appellante]. [appellante] heeft een urgentieaanvraag ingediend bij gemeente Den Haag. Bij besluit van 8 april 2021 is aan haar een urgentieverklaring voor eenmalig bemiddelingsaanbod toegekend. Die zaak is geëindigd met de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4627. Bij brief van 18 juli 2023 heeft de wethouder Volkshuisvesting, Wijken, Welzijn en Zuidwest, voor zover nu van belang, aan [appellante] medegedeeld dat de extra inspanningen die het college tot dan toe heeft verricht met drie maanden zullen worden verlengd en daarna zullen worden gestaakt. [appellante] heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt. Het college heeft dit bezwaar bij besluit van 2 oktober 2023 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 18 juli 2023 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom kan volgens het college geen bezwaar worden gemaakt tegen deze brief. De rechtbank heeft vervolgens bij uitspraak van 29 oktober 2024 het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. 202407368/1/A2. Datum uitspraak: 20 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in Den Haag, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 oktober 2024 in zaak nr. 23/7315 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Procesverloop Bij brief van 18 juli 2023 heeft de wethouder Volkshuisvesting, Wijken, Welzijn en Zuidwest gereageerd op een klacht van de broer van [appellante]. Bij besluit van 2 oktober 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 29 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 december 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. S. van der Eijk, advocaat in Delft, en haar broer, [broer] en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, vertegenwoordigd door A.C. Visser, zijn verschenen. De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting niet gesloten, met als doel om partijen in de gelegenheid te stellen om tot een onderlinge vergelijk te komen. [appellante] en het college hebben nadere stukken ingediend. Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek gesloten. Overwegingen Inleiding 1. [appellante] heeft een urgentieaanvraag ingediend bij gemeente Den Haag. Bij besluit van 8 april 2021 is aan haar een urgentieverklaring voor eenmalig bemiddelingsaanbod toegekend. Die zaak is geëindigd met de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4627. Bij brief van 18 juli 2023 heeft de wethouder Volkshuisvesting, Wijken, Welzijn en Zuidwest, voor zover nu van belang, aan [appellante] medegedeeld dat de extra inspanningen die het college tot dan toe heeft verricht met drie maanden zullen worden verlengd en daarna zullen worden gestaakt. [appellante] heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt. Het college heeft dit bezwaar bij besluit van 2 oktober 2023 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 18 juli 2023 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is. Daarom kan volgens het college geen bezwaar worden gemaakt tegen deze brief. De rechtbank heeft vervolgens bij uitspraak van 29 oktober 2024 het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij is van oordeel dat de brief van 18 juli 2023 een reactie bevat op een klacht van de broer van [appellante] over de inzet van de gemeente bij het zoeken naar een passende woning voor zijn zus. De brief verandert niets aan de rechtspositie van [appellante], omdat zij op grond van het besluit van 8 april 2021 recht houdt op een eenmalig woningaanbod. Dat de extra inspanningen die de gemeente daartoe heeft verricht worden gestaakt, verandert daar niets aan. Het hoger beroep richt zich tegen deze uitspraak. Hoger beroep van [appellante] en de beoordeling daarvan 2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat haar bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens [appellante] is de brief van 18 juli 2023 gericht op rechtsgevolg en daarom een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Uit de brief volgt namelijk dat het college de inzet zoals deze in de afgelopen jaren is gepleegd niet langer zal voortzetten en dat de daarin genoemde actieve extra bemoeienis na die maanden zal worden gestaakt. Daarmee wordt volgens [appellante] een recht teniet gedaan. 3. De Afdeling stelt vast dat het college bij besluit van 8 april 2021 aan [appellante] een urgentieverklaring voor eenmalig bemiddelingsaanbod heeft toegekend. Het is moeilijk gebleken om een passende woning te vinden. Daarbij speelt ook een rol dat er verschil van inzicht is tussen [appellante] en haar broer enerzijds en het college anderzijds in wat als passend kan worden beschouwd. In de brief van 18 juli 2023 staat dat dit verschil van inzicht maakt dat het college de inzet zoals die de afgelopen jaren is gepleegd niet langer kan worden voortgezet. Het college zal zich nog drie maanden extra inspannen om een geschikte woning te vinden. Die extra inspanning houdt in dat het college een schriftelijk verzoek zal indienen bij alle corporaties om aan [appellante] eenmalig uit coulance een woning toe te kennen die aan de geluidseisen voldoet. Na deze drie maanden zal de actieve extra bemoeienis worden gestaakt. Op de zitting heeft het college toegelicht dat de actieve extra inzet die stopt het direct communiceren en meezoeken met de corporaties is. Ter uitvoering van het besluit van 8 april 2021 wordt volgens het college echter nog steeds dagelijks gekeken naar het vrijkomend aanbod van de woningcorporaties. Daar zal de brief van 18 juli 2023 volgens het college niets aan veranderen. 4. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, dat wil zeggen een handeling die gericht is op enig rechtsgevolg. De Afdeling is van oordeel dat de mededeling in de brief van 18 juli 2023 dat de gemeente de extra (onverplichte) inzet die zij in de afgelopen jaren heeft gepleegd zal staken, niet gericht is op rechtsgevolg. Met die brief is namelijk niet beoogd om de rechtsgevolgen van het besluit van 8 april 2021 te wijzigen. [appellante] heeft en behoudt op grond van dat besluit recht op een eenmalig woningaanbod. Dit is op de zitting zo besproken en wordt ook bevestigd in de brief van het college van 5 januari 2026. Daarin staat dat [appellante] nog steeds recht heeft op een éénmalig bemiddelingsaanbod van een passende woning. De brief van 18 juli 2023 is, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, alleen al daarom geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Wat [appellante] in haar hogerberoepsgronden en in haar reactie op de brief van het college van 5 januari 2026 naar voren heeft gebracht, bevat geen redenen waarom het oordeel van de rechtbank niet juist is. 5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. 6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.M.
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2909 text/xml public 2026-05-20T10:31:58 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-20 202407368/1/A2 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2909 text/html public 2026-05-20T10:17:23 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2909 Raad van State , 20-05-2026 / 202407368/1/A2 Bij brief van 18 juli 2023 heeft de wethouder Volkshuisvesting, Wijken, Welzijn en Zuidwest gereageerd op een klacht van de broer van [appellante]. [appellante] heeft een urgentieaanvraag ingediend bij gemeente Den Haag. Bij besluit van 8 april 2021 is aan haar een urgentieverklaring voor eenmalig bemiddelingsaanbod toegekend. Die zaak is geëindigd met de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4627. Bij brief van 18 juli 2023 heeft de wethouder Volkshuisvesting, Wijken, Welzijn en Zuidwest, voor zover nu van belang, aan [appellante] medegedeeld dat de extra inspanningen die het college tot dan toe heeft verricht met drie maanden zullen worden verlengd en daarna zullen worden gestaakt. [appellante] heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt. Het college heeft dit bezwaar bij besluit van 2 oktober 2023 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 18 juli 2023 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom kan volgens het college geen bezwaar worden gemaakt tegen deze brief. De rechtbank heeft vervolgens bij uitspraak van 29 oktober 2024 het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. 202407368/1/A2. Datum uitspraak: 20 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in Den Haag, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 oktober 2024 in zaak nr. 23/7315 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Procesverloop Bij brief van 18 juli 2023 heeft de wethouder Volkshuisvesting, Wijken, Welzijn en Zuidwest gereageerd op een klacht van de broer van [appellante]. Bij besluit van 2 oktober 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 29 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 december 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. S. van der Eijk, advocaat in Delft, en haar broer, [broer] en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, vertegenwoordigd door A.C. Visser, zijn verschenen. De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting niet gesloten, met als doel om partijen in de gelegenheid te stellen om tot een onderlinge vergelijk te komen. [appellante] en het college hebben nadere stukken ingediend. Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek gesloten. Overwegingen Inleiding 1. [appellante] heeft een urgentieaanvraag ingediend bij gemeente Den Haag. Bij besluit van 8 april 2021 is aan haar een urgentieverklaring voor eenmalig bemiddelingsaanbod toegekend. Die zaak is geëindigd met de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4627. Bij brief van 18 juli 2023 heeft de wethouder Volkshuisvesting, Wijken, Welzijn en Zuidwest, voor zover nu van belang, aan [appellante] medegedeeld dat de extra inspanningen die het college tot dan toe heeft verricht met drie maanden zullen worden verlengd en daarna zullen worden gestaakt. [appellante] heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt. Het college heeft dit bezwaar bij besluit van 2 oktober 2023 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 18 juli 2023 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is. Daarom kan volgens het college geen bezwaar worden gemaakt tegen deze brief. De rechtbank heeft vervolgens bij uitspraak van 29 oktober 2024 het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij is van oordeel dat de brief van 18 juli 2023 een reactie bevat op een klacht van de broer van [appellante] over de inzet van de gemeente bij het zoeken naar een passende woning voor zijn zus. De brief verandert niets aan de rechtspositie van [appellante], omdat zij op grond van het besluit van 8 april 2021 recht houdt op een eenmalig woningaanbod. Dat de extra inspanningen die de gemeente daartoe heeft verricht worden gestaakt, verandert daar niets aan. Het hoger beroep richt zich tegen deze uitspraak. Hoger beroep van [appellante] en de beoordeling daarvan 2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat haar bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens [appellante] is de brief van 18 juli 2023 gericht op rechtsgevolg en daarom een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Uit de brief volgt namelijk dat het college de inzet zoals deze in de afgelopen jaren is gepleegd niet langer zal voortzetten en dat de daarin genoemde actieve extra bemoeienis na die maanden zal worden gestaakt. Daarmee wordt volgens [appellante] een recht teniet gedaan. 3. De Afdeling stelt vast dat het college bij besluit van 8 april 2021 aan [appellante] een urgentieverklaring voor eenmalig bemiddelingsaanbod heeft toegekend. Het is moeilijk gebleken om een passende woning te vinden. Daarbij speelt ook een rol dat er verschil van inzicht is tussen [appellante] en haar broer enerzijds en het college anderzijds in wat als passend kan worden beschouwd. In de brief van 18 juli 2023 staat dat dit verschil van inzicht maakt dat het college de inzet zoals die de afgelopen jaren is gepleegd niet langer kan worden voortgezet. Het college zal zich nog drie maanden extra inspannen om een geschikte woning te vinden. Die extra inspanning houdt in dat het college een schriftelijk verzoek zal indienen bij alle corporaties om aan [appellante] eenmalig uit coulance een woning toe te kennen die aan de geluidseisen voldoet. Na deze drie maanden zal de actieve extra bemoeienis worden gestaakt. Op de zitting heeft het college toegelicht dat de actieve extra inzet die stopt het direct communiceren en meezoeken met de corporaties is. Ter uitvoering van het besluit van 8 april 2021 wordt volgens het college echter nog steeds dagelijks gekeken naar het vrijkomend aanbod van de woningcorporaties. Daar zal de brief van 18 juli 2023 volgens het college niets aan veranderen. 4. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, dat wil zeggen een handeling die gericht is op enig rechtsgevolg. De Afdeling is van oordeel dat de mededeling in de brief van 18 juli 2023 dat de gemeente de extra (onverplichte) inzet die zij in de afgelopen jaren heeft gepleegd zal staken, niet gericht is op rechtsgevolg. Met die brief is namelijk niet beoogd om de rechtsgevolgen van het besluit van 8 april 2021 te wijzigen. [appellante] heeft en behoudt op grond van dat besluit recht op een eenmalig woningaanbod. Dit is op de zitting zo besproken en wordt ook bevestigd in de brief van het college van 5 januari 2026. Daarin staat dat [appellante] nog steeds recht heeft op een éénmalig bemiddelingsaanbod van een passende woning. De brief van 18 juli 2023 is, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, alleen al daarom geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Wat [appellante] in haar hogerberoepsgronden en in haar reactie op de brief van het college van 5 januari 2026 naar voren heeft gebracht, bevat geen redenen waarom het oordeel van de rechtbank niet juist is. 5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. 6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.M.