Rechtspraak
Raad van State
2026-05-20
ECLI:NL:RVS:2026:2891
Bestuursrecht
Hoger beroep
4,013 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2891 text/xml public 2026-05-20T10:32:16 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-20 202504884/1/A3 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2891 text/html public 2026-05-20T10:16:43 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2891 Raad van State , 20-05-2026 / 202504884/1/A3 Bij besluit van 11 januari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht een door [appellant] verbeurde dwangsom van € 2.500,00 ingevorderd. Op 23 februari 2022 heeft het college [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:44, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht (APV). De last houdt in dat [appellant] geen inbrekerswerktuigen mag vervoeren of bij zich mag hebben op een openbare plaats in de gemeente Dordrecht. Bij elke overtreding verbeurt [appellant] een dwangsom van € 2.500,00 met een maximum van € 10.000,00. Uit een bestuurlijke rapportage van de Politie Eenheid Rotterdam, Basisteam Drechtsteden Binnen van 13 november 2023 (bestuurlijke rapportage) volgt dat op 27 oktober 2023 omstreeks 01:20 uur politieambtenaren een melding ontvingen over een man die over straat zou zwalken en onder invloed zou zijn. Ter plaatse werd [appellant] herkend. [appellant] werd aangetroffen met inbrekerswerktuigen, namelijk een tas met een kleine betonschaar, kniptang, platkop schroevendraaier, handschoenen en een fietstas met een moersleutel, inbussleutels, dopsleutel en een klein breekijzer. 202504884/1/A3. Datum uitspraak: 20 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Dordrecht, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2025 in zaak nr. 24/6521 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht. Procesverloop Bij besluit van 11 januari 2024 heeft het college een door [appellant] verbeurde dwangsom van € 2.500,00 ingevorderd. Bij besluit van 23 mei 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 31 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. D.C.O. Ayinla, advocaat in Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.C.M. Geerts en mr. D. van de Water, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Op 23 februari 2022 heeft het college [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:44, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht (APV). De last houdt in dat [appellant] geen inbrekerswerktuigen mag vervoeren of bij zich mag hebben op een openbare plaats in de gemeente Dordrecht. Bij elke overtreding verbeurt [appellant] een dwangsom van € 2.500,00 met een maximum van € 10.000,00. 1.1. Uit een bestuurlijke rapportage van de Politie Eenheid Rotterdam, Basisteam Drechtsteden Binnen van 13 november 2023 (bestuurlijke rapportage) volgt dat op 27 oktober 2023 omstreeks 01:20 uur politieambtenaren een melding ontvingen over een man die over straat zou zwalken en onder invloed zou zijn. Ter plaatse werd [appellant] herkend. [appellant] werd aangetroffen met inbrekerswerktuigen, namelijk een tas met een kleine betonschaar, kniptang, platkop schroevendraaier, handschoenen en een fietstas met een moersleutel, inbussleutels, dopsleutel en een klein breekijzer. 1.2. Het college heeft bij het besluit van 11 januari 2024 een dwangsom van € 2.500,00 van [appellant] ingevorderd. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat gelet op de aard van de aangetroffen voorwerpen, de combinatie van de aangetroffen voorwerpen, het tijdstip waarop en de plaats waar [appellant] is aangetroffen, voldoende aannemelijk is dat al deze voorwerpen inbrekerswerktuigen betreffen. [appellant] heeft daarom volgens het college de op 23 februari 2022 opgelegde last niet uitgevoerd. Het college heeft zijn besluit in bezwaar gehandhaafd. Wet- en regelgeving 2. De wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. Uitspraak rechtbank 3. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een overtreding van artikel 2:44, eerste lid, van de APV en dat het college bevoegd was om de verbeurde dwangsom in te vorderen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gereedschappen die hij bij zich had niet gebruikt of bestemd waren voor de in artikel 2:44, eerste en tweede lid, van de APV bedoelde handelingen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de dwangsom niet heeft hoeven te matigen. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Hoger beroep Mandaat 4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college het besluit van 23 mei 2024 niet had mogen nemen, omdat het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom van 23 februari 2022 is genomen door een hoofdagent en een hoofdagent niet gerechtigd is om namens het college een last onder dwangsom op te leggen. Hiertoe voert hij primair aan dat geen sprake is van een kenbare mandaatverlening. Subsidiair voert hij aan dat, als wel sprake is van een mandaatverlening, de aard van de bevoegdheid zich tegen mandatering verzet. 4.1. Het betoog van [appellant] ziet op het besluit van 23 februari 2022 waarin een last onder dwangsom aan [appellant] is opgelegd. [appellant] heeft echter geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 23 februari 2022. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1525, onder 5.1, kan een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking of de kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom of last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts bij bijzondere omstandigheden. Een bijzondere omstandigheid kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. Het betoog slaagt niet. Overtreding artikel 2:44 van de APV 5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een overtreding van artikel 2:44, eerste lid, van de APV en dat het college bevoegd was om de verbeurde dwangsom in te vorderen. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door [appellant] gegeven verklaring over het voorhanden hebben van de gereedschappen onaannemelijk dan wel ongeloofwaardig is. Volgens [appellant] kunnen de door hem gegeven antwoorden tijdens zijn staandehouding van 27 oktober 2023 hem niet worden tegengeworpen, omdat geen cautie is gegeven. Ook voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college terecht geen doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de door [appellant] overgelegde verklaringen van [persoon A] en [persoon B]. De rechtbank had nader onderzoek moeten doen naar de inhoud van de verklaringen. 5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2115), volgt uit artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat de cautieplicht bestaat wanneer naar objectieve maatstaven door een redelijk waarnemer kan worden vastgesteld dat de betrokkene wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie. Blijft in een zodanig geval de cautie ten onrechte achterwege, dan kan de verklaring van de betrokkene in de regel niet worden gebruikt als bewijs voor de feiten die aan de sanctie ten grondslag zijn gelegd.
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2891 text/xml public 2026-05-20T10:32:16 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-20 202504884/1/A3 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2891 text/html public 2026-05-20T10:16:43 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2891 Raad van State , 20-05-2026 / 202504884/1/A3 Bij besluit van 11 januari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht een door [appellant] verbeurde dwangsom van € 2.500,00 ingevorderd. Op 23 februari 2022 heeft het college [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:44, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht (APV). De last houdt in dat [appellant] geen inbrekerswerktuigen mag vervoeren of bij zich mag hebben op een openbare plaats in de gemeente Dordrecht. Bij elke overtreding verbeurt [appellant] een dwangsom van € 2.500,00 met een maximum van € 10.000,00. Uit een bestuurlijke rapportage van de Politie Eenheid Rotterdam, Basisteam Drechtsteden Binnen van 13 november 2023 (bestuurlijke rapportage) volgt dat op 27 oktober 2023 omstreeks 01:20 uur politieambtenaren een melding ontvingen over een man die over straat zou zwalken en onder invloed zou zijn. Ter plaatse werd [appellant] herkend. [appellant] werd aangetroffen met inbrekerswerktuigen, namelijk een tas met een kleine betonschaar, kniptang, platkop schroevendraaier, handschoenen en een fietstas met een moersleutel, inbussleutels, dopsleutel en een klein breekijzer. 202504884/1/A3. Datum uitspraak: 20 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Dordrecht, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2025 in zaak nr. 24/6521 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht. Procesverloop Bij besluit van 11 januari 2024 heeft het college een door [appellant] verbeurde dwangsom van € 2.500,00 ingevorderd. Bij besluit van 23 mei 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 31 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. D.C.O. Ayinla, advocaat in Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.C.M. Geerts en mr. D. van de Water, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Op 23 februari 2022 heeft het college [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2:44, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht (APV). De last houdt in dat [appellant] geen inbrekerswerktuigen mag vervoeren of bij zich mag hebben op een openbare plaats in de gemeente Dordrecht. Bij elke overtreding verbeurt [appellant] een dwangsom van € 2.500,00 met een maximum van € 10.000,00. 1.1. Uit een bestuurlijke rapportage van de Politie Eenheid Rotterdam, Basisteam Drechtsteden Binnen van 13 november 2023 (bestuurlijke rapportage) volgt dat op 27 oktober 2023 omstreeks 01:20 uur politieambtenaren een melding ontvingen over een man die over straat zou zwalken en onder invloed zou zijn. Ter plaatse werd [appellant] herkend. [appellant] werd aangetroffen met inbrekerswerktuigen, namelijk een tas met een kleine betonschaar, kniptang, platkop schroevendraaier, handschoenen en een fietstas met een moersleutel, inbussleutels, dopsleutel en een klein breekijzer. 1.2. Het college heeft bij het besluit van 11 januari 2024 een dwangsom van € 2.500,00 van [appellant] ingevorderd. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat gelet op de aard van de aangetroffen voorwerpen, de combinatie van de aangetroffen voorwerpen, het tijdstip waarop en de plaats waar [appellant] is aangetroffen, voldoende aannemelijk is dat al deze voorwerpen inbrekerswerktuigen betreffen. [appellant] heeft daarom volgens het college de op 23 februari 2022 opgelegde last niet uitgevoerd. Het college heeft zijn besluit in bezwaar gehandhaafd. Wet- en regelgeving 2. De wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. Uitspraak rechtbank 3. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een overtreding van artikel 2:44, eerste lid, van de APV en dat het college bevoegd was om de verbeurde dwangsom in te vorderen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gereedschappen die hij bij zich had niet gebruikt of bestemd waren voor de in artikel 2:44, eerste en tweede lid, van de APV bedoelde handelingen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de dwangsom niet heeft hoeven te matigen. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Hoger beroep Mandaat 4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college het besluit van 23 mei 2024 niet had mogen nemen, omdat het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom van 23 februari 2022 is genomen door een hoofdagent en een hoofdagent niet gerechtigd is om namens het college een last onder dwangsom op te leggen. Hiertoe voert hij primair aan dat geen sprake is van een kenbare mandaatverlening. Subsidiair voert hij aan dat, als wel sprake is van een mandaatverlening, de aard van de bevoegdheid zich tegen mandatering verzet. 4.1. Het betoog van [appellant] ziet op het besluit van 23 februari 2022 waarin een last onder dwangsom aan [appellant] is opgelegd. [appellant] heeft echter geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 23 februari 2022. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1525, onder 5.1, kan een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking of de kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom of last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts bij bijzondere omstandigheden. Een bijzondere omstandigheid kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. Het betoog slaagt niet. Overtreding artikel 2:44 van de APV 5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een overtreding van artikel 2:44, eerste lid, van de APV en dat het college bevoegd was om de verbeurde dwangsom in te vorderen. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door [appellant] gegeven verklaring over het voorhanden hebben van de gereedschappen onaannemelijk dan wel ongeloofwaardig is. Volgens [appellant] kunnen de door hem gegeven antwoorden tijdens zijn staandehouding van 27 oktober 2023 hem niet worden tegengeworpen, omdat geen cautie is gegeven. Ook voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college terecht geen doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de door [appellant] overgelegde verklaringen van [persoon A] en [persoon B]. De rechtbank had nader onderzoek moeten doen naar de inhoud van de verklaringen. 5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2115), volgt uit artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat de cautieplicht bestaat wanneer naar objectieve maatstaven door een redelijk waarnemer kan worden vastgesteld dat de betrokkene wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie. Blijft in een zodanig geval de cautie ten onrechte achterwege, dan kan de verklaring van de betrokkene in de regel niet worden gebruikt als bewijs voor de feiten die aan de sanctie ten grondslag zijn gelegd.