Rechtspraak
Raad van State
2026-05-11
ECLI:NL:RVS:2026:2666
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,656 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2666 text/xml public 2026-05-13T10:38:53 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-11 BRS.26.001938 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2666 text/html public 2026-05-08T10:50:43 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2666 Raad van State , 11-05-2026 / BRS.26.001938 Bij besluit van 30 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om vernieuwing van haar verblijfsdocument EU/EER bedoeld artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen en vastgesteld dat het verblijfsrecht van betrokkene is geëindigd. BRS.26.001938 ECLI:NL:RVS:2026:2666 Datum uitspraak: 11 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 31 maart 2026 in zaak nr. NL24.17703 in het geding tussen: [de betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 30 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om vernieuwing van haar verblijfsdocument EU/EER bedoeld artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen en vastgesteld dat het verblijfsrecht van betrokkene is geëindigd. Bij besluit van 25 maart 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 31 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een verblijfsdocument verstrekt waaruit het rechtmatig verblijf van betrokkene blijkt. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren tot zes weken nadat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. 2. Gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening dat de minister de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. 3. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier. w.g. Borman voorzieningenrechter w.g. Boon griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026 977
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2666 text/xml public 2026-05-13T10:38:53 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-11 BRS.26.001938 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2666 text/html public 2026-05-08T10:50:43 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2666 Raad van State , 11-05-2026 / BRS.26.001938 Bij besluit van 30 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om vernieuwing van haar verblijfsdocument EU/EER bedoeld artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen en vastgesteld dat het verblijfsrecht van betrokkene is geëindigd. BRS.26.001938 ECLI:NL:RVS:2026:2666 Datum uitspraak: 11 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 31 maart 2026 in zaak nr. NL24.17703 in het geding tussen: [de betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 30 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om vernieuwing van haar verblijfsdocument EU/EER bedoeld artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen en vastgesteld dat het verblijfsrecht van betrokkene is geëindigd. Bij besluit van 25 maart 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 31 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een verblijfsdocument verstrekt waaruit het rechtmatig verblijf van betrokkene blijkt. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren tot zes weken nadat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. 2. Gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening dat de minister de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. 3. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier. w.g. Borman voorzieningenrechter w.g. Boon griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026 977