Rechtspraak
Raad van State
2026-05-06
ECLI:NL:RVS:2026:2571
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Hoger beroep
4,044 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2571 text/xml public 2026-05-06T10:33:01 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-06 202502789/1/R3 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2571 text/html public 2026-05-06T10:16:21 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2571 Raad van State , 06-05-2026 / 202502789/1/R3 Bij besluit van 16 januari 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gouda de door Douglas aangevraagde omgevingsvergunning voor het samenvoegen en herindelen van twee winkelpanden gelegen aan [locatie 1] in Gouda geweigerd. [appellante] is eigenaar van het winkelpand aan de [locatie 1] in Gouda. In dit winkelpand is in 1996 op de begane grond een binnenwand geplaatst, waardoor twee ruimtes ontstonden: het winkelpand [locatie 2] en het winkelpand [locatie 3]. Het winkelpand [locatie 2] werd verhuurd aan Douglas. Het winkelpand [locatie 3] werd verhuurd aan een andere winkel. Nadat de huurder van het winkelpand [locatie 3] de huur had beëindigd, heeft Douglas de binnenwand verwijderd om één winkelruimte te creëren. Douglas heeft op 24 oktober 2018 een omgevingsvergunning voor het samenvoegen en herindelen van twee winkelpanden aangevraagd. Het college heeft de aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd, omdat het bouwplan volgens het college in strijd is met de regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Binnenstad Oost". 202502789/1/R3. Datum uitspraak: 6 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Gouda, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 april 2025 in zaak nr. 23/4907 in het geding tussen: Parfumerie Douglas Nederland B.V. (Douglas), gevestigd in Nijmegen, en [appellante], gevestigd in [plaats], en het college. Procesverloop Bij besluit van 16 januari 2019 heeft het college de door Douglas aangevraagde omgevingsvergunning voor het samenvoegen en herindelen van twee winkelpanden gelegen aan [locatie 1] in Gouda geweigerd. Bij besluit van 6 juni 2023 heeft het college het door Douglas gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 april 2025 heeft de rechtbank het door Douglas en [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 juni 2023 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. [appellante] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P. Lobregt en mr. P. Rausch, en [appellante], vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen en mr. J. de Haas, beiden advocaat in Middelharnis, vergezeld door [gemachtigde], zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht Inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 18 oktober 2018. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. [appellante] is eigenaar van het winkelpand aan de [locatie 1] in Gouda. In dit winkelpand is in 1996 op de begane grond een binnenwand geplaatst, waardoor twee ruimtes ontstonden: het winkelpand [locatie 2] en het winkelpand [locatie 3]. Het winkelpand [locatie 2] werd verhuurd aan Douglas. Het winkelpand [locatie 3] werd verhuurd aan een andere winkel. Nadat de huurder van het winkelpand [locatie 3] de huur had beëindigd, heeft Douglas de binnenwand verwijderd om één winkelruimte te creëren. Douglas heeft op 24 oktober 2018 een omgevingsvergunning voor het samenvoegen en herindelen van twee winkelpanden aangevraagd. Het college heeft de aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd, omdat het bouwplan volgens het college in strijd is met de regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Binnenstad Oost". In het bestemmingsplan heeft de locatie van het bouwplan de bestemming "Centrum- 1" en "Waarde - Beschermd stadsgezicht". Het samenvoegen van de panden leidt volgens het college tot verbreding van de bestaande gevel, wat in strijd zou zijn met artikel 17.2.2 van de planregels. In dat artikel is bepaald dat de voor "beschermd stadsgezicht" aangewezen gronden de breedte van de gevel niet meer mag bedragen dan de maximale breedte per gevel zoals die voor de betreffende gevel op de gevelkaart is aangegeven, vermeerderd met maximaal 20%. De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak. Hoger beroep 3. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake is van strijd met artikel 17.2.2 van de planregels. Daartoe voert het college aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de wijziging van een binnenwand kan leiden tot een wijziging van de breedte van de gevel ter plaatse van de voorgevellijn, gelet op de manier waarop een gebouw wordt gemeten. Volgens het college volgt uit artikel 2.8 van de planregels namelijk dat de breedte van de gevel gemeten moet worden tussen (het hart van) de scheidingsmuren. Dit betekent dat het verwijderen van de binnenwand, een scheidingsmuur, leidt tot verbreding van de gevel en daarmee overschrijding van de maximale gevelbreedte, waardoor sprake is van strijd met artikel 17.2.2 van de planregels. 3.1. Artikel 2.8 van de planregels luidt: "de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk." Artikel 17.2.2 luidt: "a. de breedte van gebouwen mag ter plaatse van de voorgevellijn (grens van het bouwvlak) niet minder en niet meer bedragen dan de maximale gevelbreedte per gevel die voor de betreffende gevel op de gevelkaart is aangegeven, vermeerderd met maximaal 20%;" 3.2. Voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever. 3.3. De Afdeling overweegt met de rechtbank dat de tekst van artikel 17.2.2 van de planregels op zichzelf voldoende duidelijk is. Artikel 17.2.2 van de planregels ziet op de breedte ter plaatse van de voorgevellijn. De in artikel 2.8 van de planregels opgenomen meetwijze heeft betrekking op de oppervlakte van het gebouw en niet op de breedte van de gevels ter hoogte van de voorgevellijn, waardoor deze planregel geen wijziging in de uitleg van artikel 17.2.2 van de planregels brengt. Aan de [locatie 1] bevinden zich drie aaneensluitende gevels die van buitenaf van elkaar te onderscheiden zijn. Nu de verwijdering van de binnenwand geen verandering brengt in de uiterlijke verschijningsvormen van de gevels en daarmee niet leidt tot wijziging van de breedte van de bestaande voorgevels, blijft de breedte ter plaatse van de voorgevellijn ongewijzigd. Het door het college op de zitting aangevoerde, anders dan in het besluit op bezwaar ingenomen, standpunt dat niet de breedte van de voorgevel, maar de breedte van het hele gebouw is verbreed door de verwijdering van de binnenwand, volgt de Afdeling dan ook niet.
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2571 text/xml public 2026-05-06T10:33:01 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-06 202502789/1/R3 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2571 text/html public 2026-05-06T10:16:21 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2571 Raad van State , 06-05-2026 / 202502789/1/R3 Bij besluit van 16 januari 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gouda de door Douglas aangevraagde omgevingsvergunning voor het samenvoegen en herindelen van twee winkelpanden gelegen aan [locatie 1] in Gouda geweigerd. [appellante] is eigenaar van het winkelpand aan de [locatie 1] in Gouda. In dit winkelpand is in 1996 op de begane grond een binnenwand geplaatst, waardoor twee ruimtes ontstonden: het winkelpand [locatie 2] en het winkelpand [locatie 3]. Het winkelpand [locatie 2] werd verhuurd aan Douglas. Het winkelpand [locatie 3] werd verhuurd aan een andere winkel. Nadat de huurder van het winkelpand [locatie 3] de huur had beëindigd, heeft Douglas de binnenwand verwijderd om één winkelruimte te creëren. Douglas heeft op 24 oktober 2018 een omgevingsvergunning voor het samenvoegen en herindelen van twee winkelpanden aangevraagd. Het college heeft de aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd, omdat het bouwplan volgens het college in strijd is met de regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Binnenstad Oost". 202502789/1/R3. Datum uitspraak: 6 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Gouda, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 april 2025 in zaak nr. 23/4907 in het geding tussen: Parfumerie Douglas Nederland B.V. (Douglas), gevestigd in Nijmegen, en [appellante], gevestigd in [plaats], en het college. Procesverloop Bij besluit van 16 januari 2019 heeft het college de door Douglas aangevraagde omgevingsvergunning voor het samenvoegen en herindelen van twee winkelpanden gelegen aan [locatie 1] in Gouda geweigerd. Bij besluit van 6 juni 2023 heeft het college het door Douglas gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 april 2025 heeft de rechtbank het door Douglas en [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 juni 2023 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. [appellante] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P. Lobregt en mr. P. Rausch, en [appellante], vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen en mr. J. de Haas, beiden advocaat in Middelharnis, vergezeld door [gemachtigde], zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht Inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 18 oktober 2018. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. [appellante] is eigenaar van het winkelpand aan de [locatie 1] in Gouda. In dit winkelpand is in 1996 op de begane grond een binnenwand geplaatst, waardoor twee ruimtes ontstonden: het winkelpand [locatie 2] en het winkelpand [locatie 3]. Het winkelpand [locatie 2] werd verhuurd aan Douglas. Het winkelpand [locatie 3] werd verhuurd aan een andere winkel. Nadat de huurder van het winkelpand [locatie 3] de huur had beëindigd, heeft Douglas de binnenwand verwijderd om één winkelruimte te creëren. Douglas heeft op 24 oktober 2018 een omgevingsvergunning voor het samenvoegen en herindelen van twee winkelpanden aangevraagd. Het college heeft de aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd, omdat het bouwplan volgens het college in strijd is met de regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Binnenstad Oost". In het bestemmingsplan heeft de locatie van het bouwplan de bestemming "Centrum- 1" en "Waarde - Beschermd stadsgezicht". Het samenvoegen van de panden leidt volgens het college tot verbreding van de bestaande gevel, wat in strijd zou zijn met artikel 17.2.2 van de planregels. In dat artikel is bepaald dat de voor "beschermd stadsgezicht" aangewezen gronden de breedte van de gevel niet meer mag bedragen dan de maximale breedte per gevel zoals die voor de betreffende gevel op de gevelkaart is aangegeven, vermeerderd met maximaal 20%. De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak. Hoger beroep 3. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake is van strijd met artikel 17.2.2 van de planregels. Daartoe voert het college aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de wijziging van een binnenwand kan leiden tot een wijziging van de breedte van de gevel ter plaatse van de voorgevellijn, gelet op de manier waarop een gebouw wordt gemeten. Volgens het college volgt uit artikel 2.8 van de planregels namelijk dat de breedte van de gevel gemeten moet worden tussen (het hart van) de scheidingsmuren. Dit betekent dat het verwijderen van de binnenwand, een scheidingsmuur, leidt tot verbreding van de gevel en daarmee overschrijding van de maximale gevelbreedte, waardoor sprake is van strijd met artikel 17.2.2 van de planregels. 3.1. Artikel 2.8 van de planregels luidt: "de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk." Artikel 17.2.2 luidt: "a. de breedte van gebouwen mag ter plaatse van de voorgevellijn (grens van het bouwvlak) niet minder en niet meer bedragen dan de maximale gevelbreedte per gevel die voor de betreffende gevel op de gevelkaart is aangegeven, vermeerderd met maximaal 20%;" 3.2. Voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever. 3.3. De Afdeling overweegt met de rechtbank dat de tekst van artikel 17.2.2 van de planregels op zichzelf voldoende duidelijk is. Artikel 17.2.2 van de planregels ziet op de breedte ter plaatse van de voorgevellijn. De in artikel 2.8 van de planregels opgenomen meetwijze heeft betrekking op de oppervlakte van het gebouw en niet op de breedte van de gevels ter hoogte van de voorgevellijn, waardoor deze planregel geen wijziging in de uitleg van artikel 17.2.2 van de planregels brengt. Aan de [locatie 1] bevinden zich drie aaneensluitende gevels die van buitenaf van elkaar te onderscheiden zijn. Nu de verwijdering van de binnenwand geen verandering brengt in de uiterlijke verschijningsvormen van de gevels en daarmee niet leidt tot wijziging van de breedte van de bestaande voorgevels, blijft de breedte ter plaatse van de voorgevellijn ongewijzigd. Het door het college op de zitting aangevoerde, anders dan in het besluit op bezwaar ingenomen, standpunt dat niet de breedte van de voorgevel, maar de breedte van het hele gebouw is verbreed door de verwijdering van de binnenwand, volgt de Afdeling dan ook niet.