Rechtspraak
Raad van State
2026-05-01
ECLI:NL:RVS:2026:2510
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
2,621 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2510 text/xml public 2026-05-06T10:33:02 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-01 202404766/1/V1. Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2510 text/html public 2026-05-01T11:38:43 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2510 Raad van State , 01-05-2026 / 202404766/1/V1. Bij besluit van 4 juli 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen. 202404766/1/V1. Datum uitspraak: 1 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van: 1. [de minister van Asiel en Migratie], 2. [appellant] appellanten tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 23 juli 2024 in zaak nr. NL22.13469 in het geding tussen: [appellant] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 4 juli 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen. Bij uitspraak van 23 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. E. El-Sharkawi, advocaat in Den Haag, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld. Overwegingen Hoger beroep van de minister 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Betrokkene heeft diverse documenten overgelegd, waaronder een strafvonnis. Bureau Documenten (BD) heeft vier van deze documenten onderzocht en geconcludeerd dat deze documenten hoogstwaarschijnlijk, dan wel mogelijk, niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. BD heeft niet kunnen vaststellen of deze documenten inhoudelijk juist zijn. Betrokkene heeft daarnaast een ‘verklaring van de Egyptische rechtbank op grond van het daadwerkelijk register’ overgelegd, die BD ook heeft onderzocht. Over deze verklaring heeft de minister de rechtbank geïnformeerd dat BD een positief advies heeft afgegeven, maar zich niet heeft uitgelaten over de opmaak, afgifte en inhoud. Met het oog daarop heeft betrokkene een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de begrijpelijkheid van de conclusies van BD naar voren gebracht. De minister mocht niet zonder nader onderzoek naar de inhoud van deze verklaring van die conclusies van BD uitgaan. De uitkomst van dat onderzoek kan namelijk van invloed zijn op de waardering van de overige overgelegde documenten door de minister. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de minister op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel nader onderzoek had moeten doen naar de inhoud van de ‘verklaring van de Egyptische rechtbank op grond van het daadwerkelijk register’. 1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). Incidenteel hoger beroep van betrokkene 2. Het incidenteel hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Betrokkene legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000). Alleen al omdat de minister een nieuw besluit moet nemen op de asielaanvraag van betrokkene doen zich geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664. Het incidenteel hoger beroep is niet-ontvankelijk. Conclusie 3. Het hoger beroep is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep is niet-ontvankelijk. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de door betrokkene gemaakte proceskosten in het door de minister ingestelde hoger beroep vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep ongegrond; II. verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk; III. bevestigt de aangevallen uitspraak; IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier. w.g. De Poorter voorzitter w.g. Mercelina griffier Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026 938-1151
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2510 text/xml public 2026-05-06T10:33:02 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-01 202404766/1/V1. Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2510 text/html public 2026-05-01T11:38:43 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2510 Raad van State , 01-05-2026 / 202404766/1/V1. Bij besluit van 4 juli 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen. 202404766/1/V1. Datum uitspraak: 1 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van: 1. [de minister van Asiel en Migratie], 2. [appellant] appellanten tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 23 juli 2024 in zaak nr. NL22.13469 in het geding tussen: [appellant] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 4 juli 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen. Bij uitspraak van 23 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. E. El-Sharkawi, advocaat in Den Haag, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld. Overwegingen Hoger beroep van de minister 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Betrokkene heeft diverse documenten overgelegd, waaronder een strafvonnis. Bureau Documenten (BD) heeft vier van deze documenten onderzocht en geconcludeerd dat deze documenten hoogstwaarschijnlijk, dan wel mogelijk, niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. BD heeft niet kunnen vaststellen of deze documenten inhoudelijk juist zijn. Betrokkene heeft daarnaast een ‘verklaring van de Egyptische rechtbank op grond van het daadwerkelijk register’ overgelegd, die BD ook heeft onderzocht. Over deze verklaring heeft de minister de rechtbank geïnformeerd dat BD een positief advies heeft afgegeven, maar zich niet heeft uitgelaten over de opmaak, afgifte en inhoud. Met het oog daarop heeft betrokkene een concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de begrijpelijkheid van de conclusies van BD naar voren gebracht. De minister mocht niet zonder nader onderzoek naar de inhoud van deze verklaring van die conclusies van BD uitgaan. De uitkomst van dat onderzoek kan namelijk van invloed zijn op de waardering van de overige overgelegde documenten door de minister. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de minister op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel nader onderzoek had moeten doen naar de inhoud van de ‘verklaring van de Egyptische rechtbank op grond van het daadwerkelijk register’. 1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). Incidenteel hoger beroep van betrokkene 2. Het incidenteel hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Betrokkene legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000). Alleen al omdat de minister een nieuw besluit moet nemen op de asielaanvraag van betrokkene doen zich geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664. Het incidenteel hoger beroep is niet-ontvankelijk. Conclusie 3. Het hoger beroep is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep is niet-ontvankelijk. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de door betrokkene gemaakte proceskosten in het door de minister ingestelde hoger beroep vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep ongegrond; II. verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk; III. bevestigt de aangevallen uitspraak; IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier. w.g. De Poorter voorzitter w.g. Mercelina griffier Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026 938-1151