Rechtspraak
Raad van State
2026-04-29
ECLI:NL:RVS:2026:2423
Bestuursrecht
Hoger beroep
4,051 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2423 text/xml public 2026-04-29T10:31:20 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-29 202502326/1/A3 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2423 text/html public 2026-04-29T10:16:46 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2423 Raad van State , 29-04-2026 / 202502326/1/A3 Bij besluit van 1 november 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem de aanvraag van [appellant] voor een parkeervergunning afgewezen. [appellant] is eigenaar van de woning aan [locatie] in Haarlem (de woning). [appellant] heeft op 1 november 2023 een aanvraag voor een parkeervergunning ingediend. Het college heeft deze aanvraag op 1 november 2023 afgewezen en is hier met het besluit van 18 juni 2024 bij gebleven. Het geschil gaat over de vraag of het college de aanvraag van [appellant] voor een parkeervergunning mocht afwijzen omdat hij over een eigen parkeerplaats beschikt in de zin van de Parkeerverordening 2018 Gemeente Haarlem (de Parkeerverordening) en de Haarlemse Bouwverordening (de Bouwverordening). [appellant] stelt zich op het standpunt dat de ruimte die volgens het college geschikt is als parkeerplaats hiervoor te klein is. Daarbij heeft het college er volgens [appellant] ten onrechte geen rekening mee gehouden dat de garagedeuren naar binnen toe opengaan. 202502326/1/A3. Datum uitspraak: 29 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Haarlem, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 maart 2025 in zaak nr. 24/4302 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Haarlem. Procesverloop Bij besluit van 1 november 2023 heeft het college de aanvraag van [appellant] voor een parkeervergunning afgewezen. Bij besluit van 18 juni 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 april 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. J.E. van Gilst, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] is eigenaar van de woning aan [locatie] in Haarlem (de woning). [appellant] heeft op 1 november 2023 een aanvraag voor een parkeervergunning ingediend. Het college heeft deze aanvraag op 1 november 2023 afgewezen en is hier met het besluit van 18 juni 2024 bij gebleven. 2. Op 23 maart 2017 is aan een eerdere eigenaar van de woning een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van de woning op een braakliggend kavel in de binnenstad van Haarlem. In deze omgevingsvergunning staat onder andere het volgende vermeld: "De activiteit is door de adviseur parkeervoorzieningen van de afdeling Openbare Ruimte Groen en Verkeer getoetst aan de voorschriften uit de Haarlemse bouwverordening inzake parkeren. De adviseur heeft geen bezwaar tegen het afgeven van de omgevingsvergunning. […] De behoefte aan parkeerplaatsen neemt toe met 1,2 parkeerplaatsen. Op de begane grond wordt voorzien in een garagebox. Bezoekers kunnen parkeren in een van de openbare garages van de binnenstad." 3. Het geschil gaat over de vraag of het college de aanvraag van [appellant] voor een parkeervergunning mocht afwijzen omdat hij over een eigen parkeerplaats beschikt in de zin van de Parkeerverordening 2018 Gemeente Haarlem (de Parkeerverordening) en de Haarlemse Bouwverordening (de Bouwverordening). [appellant] stelt zich op het standpunt dat de ruimte die volgens het college geschikt is als parkeerplaats hiervoor te klein is. Daarbij heeft het college er volgens [appellant] ten onrechte geen rekening mee gehouden dat de garagedeuren naar binnen toe opengaan. Relevante wet- en regelgeving 4. In artikel 4, derde lid, sub a, onderdeel ii, van de Parkeerverordening staat dat een parkeervergunning alleen kan worden verleend indien de aanvrager geen beschikking heeft over eigen parkeergelegenheid. In artikel 4, derde lid, sub f, van de Parkeerverordening staat dat de aanvrager wordt geacht te beschikken over eigen parkeergelegenheid als bedoeld in artikel 4, lid 3, onder a., sub ii en b., sub ii en iii, indien de aanvrager woont in een nieuw- of verbouwcomplex dat voldoet aan de parkeernorm, zoals bedoeld in artikel 2.5.30 van de Haarlemse Bouwverordening, dan wel in het betreffende bestemmingsplan, dan wel in het beleid met betrekking tot parkeernormen, zoals gesteld ten tijde van het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning. Eigen parkeergelegenheid is in artikel, 1, aanhef en onder k, van de Parkeerverordening gedefinieerd als parkeerplaats(en) die specifiek ter beschikking staan ten behoeve van woonadres of bedrijf, voor het parkeren van motorvoertuigen, waaronder begrepen: garagebox, een met de woning verbonden garage alsmede een gehandicaptenparkeerplek op kenteken, gehuurde parkeerplek of bewonersabonnement in de parkeergarage. In artikel 2.5.30, tweede lid, van de Bouwverordening staat dat als sprake is van een eigen parkeergelegenheid de afmetingen van de bedoelde ruimte tenminste tussen 1,80 en 3,25 meter breed en tussen 5,00 en 6,00 meter lang zijn. Uitspraak van de rechtbank 5. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] beschikt over een eigen parkeergelegenheid die voldoet aan de minimale afmetingen. Artikel 2.5.30 van de Bouwverordening ziet volgens de rechtbank enkel op de afmetingen van de ruimte en bepaalt niet dat hierbij rekening moet worden gehouden met naar binnenslaande garagedeuren of andere obstakels. Verder mag het college uitgaan van de juistheid van het advies van de parkeeradviseur waaruit volgt dat het mogelijk is om een normauto te parkeren in de garage. Dat de naar binnenslaande deuren en de scheidingswand te zien zijn op de tekeningen bij de verleende omgevingsvergunning, maakt volgens de rechtbank niet dat het college verantwoordelijk kan worden gehouden voor de precieze afmetingen van de garage na het plaatsen van de deuren en de scheidingswand. Zeker tegen de achtergrond van de voorwaarde die in de omgevingsvergunning is opgenomen, komt het feit dat de naar binnenslaande garagedeuren niet meer dicht kunnen als er een auto is geparkeerd naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van [appellant] en kan dit niet worden afgewenteld op de parkeerruimte in de openbare ruimte. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de parkeervergunning die aan de vorige eigenaar is verleend niet te beschouwen is als een toezegging aan [appellant], waardoor een beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. Voor zover [appellant] hiermee een beroep heeft willen doen op het gelijkheidsbeginsel, slaagt deze grond volgens de rechtbank ook niet. Het college heeft namelijk voldoende aannemelijk gemaakt dat de eerder verleende parkeervergunning aan de vorige eigenaar ten onrechte is verleend. Het gelijkheidsbeginsel strekt niet zover dat het college is gehouden om een eerder gemaakte fout te herhalen, aldus de rechtbank. Gronden en beoordeling hoger beroep 6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij beschikt over een eigen parkeergelegenheid die voldoet aan de minimale afmetingen. Volgens [appellant] heeft de rechtbank niet onderkend dat uit de Bouwverordening volgt dat er wel rekening moet worden gehouden met obstakels. In dit geval beperken de naar binnendraaiende deuren en de scheidingswand de beschikbare ruimte zodanig dat de parkeergelegenheid niet voldoet aan de gestelde minimale afmetingen. [appellant] voert verder aan dat deze situatie aan het college moet worden toegerekend, omdat het de bouwtekening - waarop de naar binnenslaande deuren en scheidingswand in de garage al waren ingetekend - heeft goedgekeurd.
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2423 text/xml public 2026-04-29T10:31:20 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-29 202502326/1/A3 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2423 text/html public 2026-04-29T10:16:46 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2423 Raad van State , 29-04-2026 / 202502326/1/A3 Bij besluit van 1 november 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem de aanvraag van [appellant] voor een parkeervergunning afgewezen. [appellant] is eigenaar van de woning aan [locatie] in Haarlem (de woning). [appellant] heeft op 1 november 2023 een aanvraag voor een parkeervergunning ingediend. Het college heeft deze aanvraag op 1 november 2023 afgewezen en is hier met het besluit van 18 juni 2024 bij gebleven. Het geschil gaat over de vraag of het college de aanvraag van [appellant] voor een parkeervergunning mocht afwijzen omdat hij over een eigen parkeerplaats beschikt in de zin van de Parkeerverordening 2018 Gemeente Haarlem (de Parkeerverordening) en de Haarlemse Bouwverordening (de Bouwverordening). [appellant] stelt zich op het standpunt dat de ruimte die volgens het college geschikt is als parkeerplaats hiervoor te klein is. Daarbij heeft het college er volgens [appellant] ten onrechte geen rekening mee gehouden dat de garagedeuren naar binnen toe opengaan. 202502326/1/A3. Datum uitspraak: 29 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Haarlem, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 maart 2025 in zaak nr. 24/4302 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Haarlem. Procesverloop Bij besluit van 1 november 2023 heeft het college de aanvraag van [appellant] voor een parkeervergunning afgewezen. Bij besluit van 18 juni 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 april 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. J.E. van Gilst, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] is eigenaar van de woning aan [locatie] in Haarlem (de woning). [appellant] heeft op 1 november 2023 een aanvraag voor een parkeervergunning ingediend. Het college heeft deze aanvraag op 1 november 2023 afgewezen en is hier met het besluit van 18 juni 2024 bij gebleven. 2. Op 23 maart 2017 is aan een eerdere eigenaar van de woning een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van de woning op een braakliggend kavel in de binnenstad van Haarlem. In deze omgevingsvergunning staat onder andere het volgende vermeld: "De activiteit is door de adviseur parkeervoorzieningen van de afdeling Openbare Ruimte Groen en Verkeer getoetst aan de voorschriften uit de Haarlemse bouwverordening inzake parkeren. De adviseur heeft geen bezwaar tegen het afgeven van de omgevingsvergunning. […] De behoefte aan parkeerplaatsen neemt toe met 1,2 parkeerplaatsen. Op de begane grond wordt voorzien in een garagebox. Bezoekers kunnen parkeren in een van de openbare garages van de binnenstad." 3. Het geschil gaat over de vraag of het college de aanvraag van [appellant] voor een parkeervergunning mocht afwijzen omdat hij over een eigen parkeerplaats beschikt in de zin van de Parkeerverordening 2018 Gemeente Haarlem (de Parkeerverordening) en de Haarlemse Bouwverordening (de Bouwverordening). [appellant] stelt zich op het standpunt dat de ruimte die volgens het college geschikt is als parkeerplaats hiervoor te klein is. Daarbij heeft het college er volgens [appellant] ten onrechte geen rekening mee gehouden dat de garagedeuren naar binnen toe opengaan. Relevante wet- en regelgeving 4. In artikel 4, derde lid, sub a, onderdeel ii, van de Parkeerverordening staat dat een parkeervergunning alleen kan worden verleend indien de aanvrager geen beschikking heeft over eigen parkeergelegenheid. In artikel 4, derde lid, sub f, van de Parkeerverordening staat dat de aanvrager wordt geacht te beschikken over eigen parkeergelegenheid als bedoeld in artikel 4, lid 3, onder a., sub ii en b., sub ii en iii, indien de aanvrager woont in een nieuw- of verbouwcomplex dat voldoet aan de parkeernorm, zoals bedoeld in artikel 2.5.30 van de Haarlemse Bouwverordening, dan wel in het betreffende bestemmingsplan, dan wel in het beleid met betrekking tot parkeernormen, zoals gesteld ten tijde van het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning. Eigen parkeergelegenheid is in artikel, 1, aanhef en onder k, van de Parkeerverordening gedefinieerd als parkeerplaats(en) die specifiek ter beschikking staan ten behoeve van woonadres of bedrijf, voor het parkeren van motorvoertuigen, waaronder begrepen: garagebox, een met de woning verbonden garage alsmede een gehandicaptenparkeerplek op kenteken, gehuurde parkeerplek of bewonersabonnement in de parkeergarage. In artikel 2.5.30, tweede lid, van de Bouwverordening staat dat als sprake is van een eigen parkeergelegenheid de afmetingen van de bedoelde ruimte tenminste tussen 1,80 en 3,25 meter breed en tussen 5,00 en 6,00 meter lang zijn. Uitspraak van de rechtbank 5. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] beschikt over een eigen parkeergelegenheid die voldoet aan de minimale afmetingen. Artikel 2.5.30 van de Bouwverordening ziet volgens de rechtbank enkel op de afmetingen van de ruimte en bepaalt niet dat hierbij rekening moet worden gehouden met naar binnenslaande garagedeuren of andere obstakels. Verder mag het college uitgaan van de juistheid van het advies van de parkeeradviseur waaruit volgt dat het mogelijk is om een normauto te parkeren in de garage. Dat de naar binnenslaande deuren en de scheidingswand te zien zijn op de tekeningen bij de verleende omgevingsvergunning, maakt volgens de rechtbank niet dat het college verantwoordelijk kan worden gehouden voor de precieze afmetingen van de garage na het plaatsen van de deuren en de scheidingswand. Zeker tegen de achtergrond van de voorwaarde die in de omgevingsvergunning is opgenomen, komt het feit dat de naar binnenslaande garagedeuren niet meer dicht kunnen als er een auto is geparkeerd naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van [appellant] en kan dit niet worden afgewenteld op de parkeerruimte in de openbare ruimte. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de parkeervergunning die aan de vorige eigenaar is verleend niet te beschouwen is als een toezegging aan [appellant], waardoor een beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. Voor zover [appellant] hiermee een beroep heeft willen doen op het gelijkheidsbeginsel, slaagt deze grond volgens de rechtbank ook niet. Het college heeft namelijk voldoende aannemelijk gemaakt dat de eerder verleende parkeervergunning aan de vorige eigenaar ten onrechte is verleend. Het gelijkheidsbeginsel strekt niet zover dat het college is gehouden om een eerder gemaakte fout te herhalen, aldus de rechtbank. Gronden en beoordeling hoger beroep 6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij beschikt over een eigen parkeergelegenheid die voldoet aan de minimale afmetingen. Volgens [appellant] heeft de rechtbank niet onderkend dat uit de Bouwverordening volgt dat er wel rekening moet worden gehouden met obstakels. In dit geval beperken de naar binnendraaiende deuren en de scheidingswand de beschikbare ruimte zodanig dat de parkeergelegenheid niet voldoet aan de gestelde minimale afmetingen. [appellant] voert verder aan dat deze situatie aan het college moet worden toegerekend, omdat het de bouwtekening - waarop de naar binnenslaande deuren en scheidingswand in de garage al waren ingetekend - heeft goedgekeurd.