Rechtspraak
Raad van State
2026-04-30
ECLI:NL:RVS:2026:2370
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,206 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2370 text/xml public 2026-05-06T10:33:11 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-30 202500981/1/V1 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2370 text/html public 2026-04-28T09:07:41 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2370 Raad van State , 30-04-2026 / 202500981/1/V1 Bij besluit van 29 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. 202500981/1/V1. Datum uitspraak: 30 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 13 februari 2025 in zaak nr. NL24.47631 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 29 november 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 13 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. H.K. Westerhof, advocaat in Rotterdam, en vervolgens door mr. A. Jhingoer, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld. De minister heeft nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. De minister heeft de Afdeling laten weten dat appellant met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van appellant heeft, hoewel de Afdeling hem daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, niet laten weten dat hij nog contact met haar heeft. Daaruit leidt de Afdeling af dat appellant niet langer bescherming in Nederland zoekt. Daarom heeft appellant geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Mercelina griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026 941-1078
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2370 text/xml public 2026-05-06T10:33:11 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-30 202500981/1/V1 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2370 text/html public 2026-04-28T09:07:41 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2370 Raad van State , 30-04-2026 / 202500981/1/V1 Bij besluit van 29 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. 202500981/1/V1. Datum uitspraak: 30 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 13 februari 2025 in zaak nr. NL24.47631 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 29 november 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 13 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. H.K. Westerhof, advocaat in Rotterdam, en vervolgens door mr. A. Jhingoer, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld. De minister heeft nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. De minister heeft de Afdeling laten weten dat appellant met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van appellant heeft, hoewel de Afdeling hem daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, niet laten weten dat hij nog contact met haar heeft. Daaruit leidt de Afdeling af dat appellant niet langer bescherming in Nederland zoekt. Daarom heeft appellant geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Mercelina griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026 941-1078