Rechtspraak Raad van State 2026-01-14
ECLI:NL:RVS:2026:237
202400451/1/R1. Datum uitspraak: 14 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Andijk, gemeente Medemblik, appellanten, en de raad van de gemeente Medemblik, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 30 november 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Veegplan gemeente Medemblik" (hierna: het veegplan) vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Bij besluit van 19 juni 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Veegplan gemeente Medemblik" (hierna: het herstelbesluit) vastgesteld. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 oktober 2025, waar [appellanten], en de raad, vertegenwoordigd door K. Provoost en A.M. Martens, zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 14 juli 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Toetsingskader 2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Inleiding 3. Het veegplan is een partiële herziening die de regels van meerdere bestaande bestemmingsplannen wijzigt. Deze zaak gaat over de wijziging voor bollenbroeierijen binnen de bestemming "Agrarisch". Het beroep van [appellanten] is daartegen gericht. Volgens hen zijn bollenbroeierijen niet passend binnen die bestemming in een gebied dat bedoeld is voor grondgebonden agrarische bedrijven. Beroep van rechtswege 4. Het herstelbesluit is op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) mede onderwerp van het geding. Het beroep van [appellanten] is van rechtswege mede gericht tegen dit besluit. Voor zover relevant voor dit beroep is het herstelbesluit gelijk aan het veegplan. 5. De Afdeling zal hieronder eerst ingaan op het herstelbesluit van 19 juni 2025. Onder het kopje "Conclusie" zal de Afdeling ook ingaan op de gevolgen van deze uitspraak voor het veegplan van 30 november 2023. Het beroep tegen het herstelbesluit 6. [appellanten] betogen dat het herstelbesluit ten onrechte bollenbroeierijen toestaat op gronden met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel agrarisch grondgebonden bedrijf". Zij vrezen voor overlast in de vorm van geluidhinder, verkeer door vrachtwagens en landschapsvervuiling door een groot aantal hoge schuurkassen met bijbehorende voorzieningen zoals bassins van zwart plastic. Volgens [appellanten] horen bollenbroeierijen thuis in een kassengebied en niet in een gebied dat bedoeld is voor grondgebonden agrarische bedrijven. [appellanten] vrezen dat er op grond van dit plan steeds meer bollenbroeierijen in het buitengebied zullen verrijzen of zullen uitbreiden, waarbij de bouwvlakken in de toekomst sterk zullen toenemen omdat bollenbroeierijen vaak in schaal wil In de plantoelichting van het herstelbesluit staat daarover onder 2.5 dat bollenbroeierijen in de eerdere bestemmingsplannen geen passende juridische regeling hebben. Met het herstelbesluit is beoogd om deze omissie te herstellen. 6.5. Op grond van het herstelbesluit worden in het buitengebied bollenbroeierijen mogelijk gemaakt. Dit kan de aard van het buitengebied veranderen omdat een bollenbroeierij een bepaald gebruik van gronden maakt dat afwijkt van ander, in het bijzonder meer grondgebonden agrarisch gebruik. Zo is het, afhankelijk van het type bollenbroeierij, mogelijk dat de bij de bedrijfspercelen behorende agrarische gronden niet langer agrarisch worden gebruikt. Ook kan de uitstraling van bestaande bouwvlakken wijzigen als daar omvangrijke schuurkassen met bijbehorende voorzieningen komen die nodig zijn voor een bollenbroeierij. In de door [appellanten] genoemde Verkenning Bollenbroeierij Noord-Holland uit 2015 en de Handreiking Ruimtelijke inpassing Bollenbroeierij het Grootslag uit 2016 zijn deze effecten beschreven. De planregels van het herstelbesluit hebben daarmee in potentie een groot ruimtelijk gevolg voor het gebruik van gronden in het buitengebied van de gemeente Medemblik en ook voor het gebruik van de gronden in de nabijheid van de gronden van [appellanten]. Bij dergelijke planregels hoort een inzichtelijke afweging over waarom dit gebruik van de gronden een goede ruimtelijke ordening is, waarbij de raad ook de betrokken belangen moet afwegen. Die afweging ontbreekt. In de plantoelichting en het verweerschrift stelt de raad alleen dat met het oog op de rechtszekerheid in het herstelbesluit is beoogd een juridische omissie te herstellen. De raad heeft de Afdeling er echter niet van kunnen overtuigen dat de verandering van de tekst van de planregels van de bestemmingsplannen in het herstelbesluit geen enkel verschil maakt in de mogelijkheid van de vestiging van bollenbroeierijen. Gelet op de plantoelichting en wat op de zitting naar voren is gekomen, is niet in beeld hoeveel bestaande bollenbroeierijen met het herstelbesluit een regeling zullen krijgen en daarmee mogelijk gelegaliseerd zullen worden. Ook is niet inzichtelijk hoeveel nieuwe bollenbroeierijen er op grond van het herstelbesluit bij kunnen komen en wat dat betekent voor het bestaande landschap. Dit klemt temeer omdat het plangebied van het herstelbesluit, voor de in deze zaak relevante twee bestemmingsplannen "Buitengebied" uit 2018 en "Dorpskernen III" uit 2018, omvangrijk is en een aanzienlijk aantal agrarische bedrijfspercelen in het buitengebied omvat. In potentie hebben de met het herstelbesluit gewijzigde planregels dus een grote impact op de omgeving. 6.6. De raad heeft, al met al, niet inzichtelijk gemaakt waarom het herstelbesluit uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig is en ook niet de betrokken belangen in kaart gebracht en afgewogen. Het betoog slaagt. Conclusie 7. Gelet op wat [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het herstelbesluit van 19 juni 2025, voor zover met dit herstelbesluit de regels voor bollenbroeierijen van de bestemmingsplannen "Buitengebied" uit 2018 en "Dorpskernen III" uit 2018 wijzigen, is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb en niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb. Dit betreft de artikelen 3.1, 3.2, 6.1 en 6.2.1 van het herstelbesluit, voor zover het in dat laatste artikel gaat om de rij met de aanduiding ‘schuurkassen’ in de tabel. Het beroep is gegrond, zodat het herstelbesluit in zoverre moet worden vernietigd. 8. Zoals hiervoor is overwogen wijkt het veegplan van 30 november 2023 voor de beoordeling van het beroep van [appellanten] niet af van het herstelbesluit. Daarom is het beroep tegen het veegplan van 30 november 2023 eveneens gegrond. Ook dat besluit zal de Afdeling vernietigen, voor zov