Rechtspraak
Raad van State
2026-04-29
ECLI:NL:RVS:2026:2366
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,971 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2366 text/xml public 2026-05-06T10:33:03 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-29 202405428/1/V3 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2366 text/html public 2026-04-28T08:28:01 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2366 Raad van State , 29-04-2026 / 202405428/1/V3 Bij besluit van 3 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. 202405428/1/V3. Datum uitspraak: 29 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 augustus 2024 in zaak nr. NL24.19736 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 3 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 21 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. J.J. de Vries, advocaat in Leeuwarden, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij besluit van 10 april 2025 heeft de minister de aanvraag van betrokkene opnieuw afgewezen. Betrokkene heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. In de uitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4648, onder 12 tot en met 12.2, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit informatie uit openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Vreemdelingen die vrijwillig terugkeren naar Afghanistan na een verblijf in het Westen, zijn daarom niet aan te merken als een groep die een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister betoogt terecht dat hij geen nader onderzoek hoeft te doen naar de risico’s voor Afghaanse vreemdelingen die terugkeren uit Europa. De grief slaagt. 1.1. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). 2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, verklaart zij het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. 3. Het besluit van 10 april 2025 wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, in de beoordeling betrokken. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat aan dit besluit, dat de minister heeft genomen ter uitvoering van de vernietigde uitspraak van de rechtbank, de grondslag is komen te ontvallen. Om deze reden zal de Afdeling dat besluit vernietigen. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 augustus 2024 in zaak nr. NL24.19736; III. verklaart het beroep tegen het besluit van 3 mei 2024, V-[…], ongegrond; IV. vernietigt het besluit van 10 april 2025, V-[…]. Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier. w.g. Den Heyer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Dallinga griffier Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026 18-1102
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2366 text/xml public 2026-05-06T10:33:03 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-29 202405428/1/V3 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2366 text/html public 2026-04-28T08:28:01 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2366 Raad van State , 29-04-2026 / 202405428/1/V3 Bij besluit van 3 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. 202405428/1/V3. Datum uitspraak: 29 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 augustus 2024 in zaak nr. NL24.19736 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 3 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 21 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. J.J. de Vries, advocaat in Leeuwarden, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij besluit van 10 april 2025 heeft de minister de aanvraag van betrokkene opnieuw afgewezen. Betrokkene heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. In de uitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4648, onder 12 tot en met 12.2, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit informatie uit openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Vreemdelingen die vrijwillig terugkeren naar Afghanistan na een verblijf in het Westen, zijn daarom niet aan te merken als een groep die een reëel risico op ernstige schade loopt. De minister betoogt terecht dat hij geen nader onderzoek hoeft te doen naar de risico’s voor Afghaanse vreemdelingen die terugkeren uit Europa. De grief slaagt. 1.1. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). 2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, verklaart zij het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. 3. Het besluit van 10 april 2025 wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, in de beoordeling betrokken. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat aan dit besluit, dat de minister heeft genomen ter uitvoering van de vernietigde uitspraak van de rechtbank, de grondslag is komen te ontvallen. Om deze reden zal de Afdeling dat besluit vernietigen. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 augustus 2024 in zaak nr. NL24.19736; III. verklaart het beroep tegen het besluit van 3 mei 2024, V-[…], ongegrond; IV. vernietigt het besluit van 10 april 2025, V-[…]. Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier. w.g. Den Heyer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Dallinga griffier Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026 18-1102