Rechtspraak
Raad van State
2026-04-24
ECLI:NL:RVS:2026:2360
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,540 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2360 text/xml public 2026-04-29T10:32:13 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-24 BRS.26.002036 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2360 text/html public 2026-04-24T15:14:12 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2360 Raad van State , 24-04-2026 / BRS.26.002036 Bij besluit van 8 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. BRS.26.002036 ECLI:NL:RVS:2026:2360 Datum uitspraak: 24 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; Awb), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [verzoeker], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 april 2026 in zaak nr. NL26.1567 in het geding tussen: verzoeker en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 8 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 21 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Verzoeker heeft op 24 april 2026 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 april 2026 en de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zijn beëindiging van verstrekkingen op 24 april 2026 achterwege blijft. Alleen al omdat de hogerberoepstermijn nog niet is verstreken, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening. 2. De voorzieningenrechter kan, ook ambtshalve, deze voorlopige voorziening opheffen of wijzigen, voordat op het door verzoeker ingestelde hoger beroep is beslist (artikel 8:87, eerste lid, van de Awb). 3. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier. w.g. Ristra-Peeters voorzieningenrechter w.g. Nederhoff griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026 918-1102
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2360 text/xml public 2026-04-29T10:32:13 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-24 BRS.26.002036 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2360 text/html public 2026-04-24T15:14:12 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2360 Raad van State , 24-04-2026 / BRS.26.002036 Bij besluit van 8 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. BRS.26.002036 ECLI:NL:RVS:2026:2360 Datum uitspraak: 24 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; Awb), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [verzoeker], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 april 2026 in zaak nr. NL26.1567 in het geding tussen: verzoeker en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 8 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 21 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Verzoeker heeft op 24 april 2026 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 april 2026 en de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zijn beëindiging van verstrekkingen op 24 april 2026 achterwege blijft. Alleen al omdat de hogerberoepstermijn nog niet is verstreken, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening. 2. De voorzieningenrechter kan, ook ambtshalve, deze voorlopige voorziening opheffen of wijzigen, voordat op het door verzoeker ingestelde hoger beroep is beslist (artikel 8:87, eerste lid, van de Awb). 3. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier. w.g. Ristra-Peeters voorzieningenrechter w.g. Nederhoff griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026 918-1102