Rechtspraak
Raad van State
2026-04-24
ECLI:NL:RVS:2026:2344
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,585 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2344 text/xml public 2026-04-29T10:32:13 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-24 BRS.26.001963 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2344 text/html public 2026-04-23T12:07:15 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2344 Raad van State , 24-04-2026 / BRS.26.001963 Bij besluit van 13 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. BRS.26.001963 ECLI:NL:RVS:2026:2344 Datum uitspraak: 24 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [verzoeker], verzoeker, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 11 maart 2026 in zaak nr. NL26.8242 in het geding tussen: verzoeker en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 13 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij mondelinge uitspraak van 11 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt. 2. Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Gelet op de belangen die de minister en verzoeker naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de verantwoordelijkheid van Zwitserland voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming is vastgesteld op grond van de Dublinverordening en dat de overdrachtstermijn op 10 mei 2026 verstrijkt. De overdracht van verzoeker aan Zwitserland heeft verder geen onomkeerbare gevolgen. Mocht uiteindelijk blijken dat Nederland verantwoordelijk moet worden geacht voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, dan kan verzoeker vanuit Zwitserland worden teruggeleid naar Nederland. 3. Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier. w.g. Drop voorzieningenrechter w.g. Van de Kolk griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026 1125-347
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2344 text/xml public 2026-04-29T10:32:13 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-24 BRS.26.001963 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2344 text/html public 2026-04-23T12:07:15 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2344 Raad van State , 24-04-2026 / BRS.26.001963 Bij besluit van 13 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. BRS.26.001963 ECLI:NL:RVS:2026:2344 Datum uitspraak: 24 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [verzoeker], verzoeker, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 11 maart 2026 in zaak nr. NL26.8242 in het geding tussen: verzoeker en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 13 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij mondelinge uitspraak van 11 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt. 2. Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Gelet op de belangen die de minister en verzoeker naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de verantwoordelijkheid van Zwitserland voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming is vastgesteld op grond van de Dublinverordening en dat de overdrachtstermijn op 10 mei 2026 verstrijkt. De overdracht van verzoeker aan Zwitserland heeft verder geen onomkeerbare gevolgen. Mocht uiteindelijk blijken dat Nederland verantwoordelijk moet worden geacht voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, dan kan verzoeker vanuit Zwitserland worden teruggeleid naar Nederland. 3. Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier. w.g. Drop voorzieningenrechter w.g. Van de Kolk griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026 1125-347