Rechtspraak Raad van State 2026-04-22
ECLI:NL:RVS:2026:2269
202403046/1/R2. Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Uden, gemeente Maashorst, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 8 april 2024 in zaak nr. 23/1121 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Maashorst. Procesverloop Bij besluit van 9 maart 2023 heeft het college een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfswoning aan de [locatie] in Uden geweigerd. Bij uitspraak van 8 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 maart 2023 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 9 maart 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.M. Smetsers, advocaat in Nijmegen, en S.J.J. Zenden, en het college, vertegenwoordigd door drs. P. Tolic en C.J.A. van den Heuvel, zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 22 februari 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. [appellant] is eigenaar van het perceel aan de [locatie] in Uden. Hij heeft bij het college een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfswoning. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd op grond van artikel 2.20 van de Wabo in samenhang met artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Volgens het college mocht de omgevingsvergunning geweigerd worden, omdat feiten en omstandigheden er op wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden, dat voor verkrijging en behoud van de aangevraagde vergunning een strafbaar feit is gepleegd, namelijk valsheid in geschrifte. Daarnaast bestaat volgens het college een ernstig gevaar dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, en om strafbare feiten te plegen. [appellant] is het niet eens met de weigering van de omgevingsvergunning, onder meer omdat er volgens hem geen aanleiding was om een integriteitsonderzoek te doen op grond van de Wet Bibob en de Beleidslijn voor de toepassing van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur 2013 (de beleidslijn). 2.1. De relevante regels zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Uitspraak van de rechtbank 3. De rechtbank heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor de bedrijfswoning geen omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. Volgens de rechtbank is de reguliere procedure namelijk niet van toepassing, omdat de omgevingsvergunning slechts kon worden verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo. Het besluit op de aanvraag diende daarom te worden voorbereid met toepassing van de uitgebreide procedure. Hierdoor kon geen omgevingsvergunning van rechtswege tot stand komen. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat het college niet in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld. Volgens de rechtbank is met de brief van het colleg De beantwoording van de vraag welke voorbereidingsprocedure van toepassing is, is afhankelijk van de activiteit die is aangevraagd. Dat is geregeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo. De Wabo schrijft dwingend voor welke procedure op een aanvraag om omgevingsvergunning van toepassing is. Het college heeft hierin dus geen keuze, maar moet de voorbereidingsprocedure toepassen die de Wabo voorschrijft. Bij de ene voorbereidingsprocedure kan wel een vergunning van rechtswege zijn gegeven, bij de andere kan dat niet. In paragraaf 4.1.3.3 van de Awb is de beschikking van rechtswege geregeld. Die paragraaf geldt ook voor vergunningen van rechtswege. Als de Wabo bepaalt dat de voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is, dan kan geen omgevingsvergunning van rechtswege zijn gegeven. In artikel 3:10, vierde lid, van de Awb is namelijk bepaald dat paragraaf 4.1.3.3 van die wet niet van toepassing is als afdeling 3.4 moet worden toegepast. Als de reguliere voorbereidingsprocedure moet worden toegepast, dan is een omgevingsvergunning van rechtswege gegeven als het bestuursorgaan niet binnen de wettelijk gestelde termijn een besluit op de aanvraag heeft genomen. Dat is geregeld in artikel 3.9, derde lid, van de Wabo in combinatie met artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb. 6.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor de bedrijfswoning geen omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. Een van rechtswege verleende omgevingsvergunning kan slechts ontstaan als de reguliere procedure van toepassing is en het college niet tijdig een besluit neemt op een aanvraag. De reguliere procedure is echter niet van toepassing, omdat het besluit op de aanvraag van [appellant] op grond van artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo moest worden voorbereid met toepassing van de uitgebreide procedure in afdeling 3.4 van de Awb. In dit geval is namelijk sprake van een aanvraag die gedeeltelijk betrekking heeft op de activiteit afwijken van het bestemmingsplan, waarbij er strijd is met het bestemmingsplan en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo. De aanvraag voor de activiteit bouwen wordt in dit geval namelijk op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo mede aangemerkt als een aanvraag voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan, omdat de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. Hierover heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag voor de nieuwbouw van een bedrijfswoning op het perceel in strijd is met artikel 3.2.3, aanhef en onder a, van de planregels. Uit deze bepaling volgt dat ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" één bedrijfswoning is toegestaan. In de huidige situatie is al een bedrijfswoning binnen de aanduiding aanwezig. Uit de aanvraag volgt dat de bedrijfswoning nieuw wordt geplaatst en verder blijkt niet dat de huidige bedrijfswoning wordt vervangen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag gaat over een tweede bedrijfswoning op het perceel van [appellant]. Niet in geschil is dat hiervoor geen vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1° of 2o, van de Wabo. Het betoog slaagt niet. Uitvoeren van de Bibob-toets 7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de omgevingsvergunning mocht weigeren op grond van artikel 2.20 van de Wabo in samenhang met artikel 3 van de Wet Bibob. Hij voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het op grond van artikel 2.1a van de beleidslijn een Bibob-toets mocht uitvoeren. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het college de uitkomsten van het onderzoek naar zijn integriteit naar aanl In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is. Artikel 2.12 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: 1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking, 2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of 3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat; […] Artikel 2.20 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, of in artikel 2.1, eerste lid, onder e, met betrekking tot een inrichting kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning in andere gevallen dan bedoeld in artikel 2.10, artikel 2.11, onderscheidenlijk artikel 2.14 slechts weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 3 van die wet, voor zover het deze wet betreft, onder betrokkene mede wordt verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met de aanvrager van de omgevingsvergunning gelijk kan worden gesteld. 2. Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd. […] Artikel 3.10 1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op: a. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°; […] Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur Artikel 3 1. Voor zover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om: a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of b. strafbare feiten te plegen. […] 6. Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit. […] Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Loopkant-Liessent" 3.2.3 Bedrijfswoningen Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen: a. Ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ is één bedrijfswoning toegestaan. […] Beleidslijn voor de toepassing van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur 2013 Artikel 2.1 De toepassing van de wet zal door het bestuursorgaan op de hieronder aangeduide beschikkingen op de volgende wijze plaatsvinden: […] 2. Uitvoeri