Rechtspraak
Raad van State
2026-04-22
ECLI:NL:RVS:2026:2242
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,425 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2242 text/xml public 2026-04-29T10:31:47 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-22 202407199/1/V2 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2242 text/html public 2026-04-22T09:19:40 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2242 Raad van State , 22-04-2026 / 202407199/1/V2 Bij besluit van 4 september 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. 202407199/1/V2. Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 25 november 2024 in zaak nr. NL24.35583 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 4 september 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 25 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, advocaat in Nieuw-Vennep, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.1. Het hoger beroep gaat namelijk onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 2 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1127, onder 1 tot en met 1.5, over de vraag of een automatisch verstuurd asielbesluit moet worden ondertekend). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. 1.2. Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). 2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J. Luijendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier. w.g. Luijendijk lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Laar griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026 551-1108
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2242 text/xml public 2026-04-29T10:31:47 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-22 202407199/1/V2 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2242 text/html public 2026-04-22T09:19:40 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2242 Raad van State , 22-04-2026 / 202407199/1/V2 Bij besluit van 4 september 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. 202407199/1/V2. Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 25 november 2024 in zaak nr. NL24.35583 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 4 september 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 25 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, advocaat in Nieuw-Vennep, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.1. Het hoger beroep gaat namelijk onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 2 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1127, onder 1 tot en met 1.5, over de vraag of een automatisch verstuurd asielbesluit moet worden ondertekend). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. 1.2. Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). 2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J. Luijendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier. w.g. Luijendijk lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Laar griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026 551-1108