Rechtspraak
Raad van State
2026-04-23
ECLI:NL:RVS:2026:2226
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,335 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2226 text/xml public 2026-04-29T10:32:01 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-23 BRS.26.001040 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2226 text/html public 2026-04-21T14:34:55 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2226 Raad van State , 23-04-2026 / BRS.26.001040 Bij besluit van 16 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld. BRS.26.001040 ECLI:NL:RVS:2026:2226 Datum uitspraak: 23 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 maart 2026 in zaak nr. NL26.8678 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 16 februari 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 3 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S. Jankie, advocaat in Hoofddorp, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant klaagt terecht dat de rechtbank niet kenbaar de bewaring ambtshalve heeft getoetst. Deze klacht leidt evenwel niet tot vernietiging van de uitspraak, omdat de Afdeling ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten. 1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31). 2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, met verbetering van gronden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier. w.g. Willems lid van de enkelvoudige kamer w.g. Nederhoff griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026 918
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2226 text/xml public 2026-04-29T10:32:01 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-23 BRS.26.001040 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2226 text/html public 2026-04-21T14:34:55 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2226 Raad van State , 23-04-2026 / BRS.26.001040 Bij besluit van 16 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld. BRS.26.001040 ECLI:NL:RVS:2026:2226 Datum uitspraak: 23 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 maart 2026 in zaak nr. NL26.8678 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 16 februari 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 3 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S. Jankie, advocaat in Hoofddorp, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant klaagt terecht dat de rechtbank niet kenbaar de bewaring ambtshalve heeft getoetst. Deze klacht leidt evenwel niet tot vernietiging van de uitspraak, omdat de Afdeling ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten. 1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31). 2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, met verbetering van gronden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier. w.g. Willems lid van de enkelvoudige kamer w.g. Nederhoff griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026 918