Rechtspraak
Raad van State
2026-04-23
ECLI:NL:RVS:2026:2214
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,929 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2214 text/xml public 2026-04-29T10:31:49 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-23 BRS.26.000174 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2214 text/html public 2026-04-21T12:48:45 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2214 Raad van State , 23-04-2026 / BRS.26.000174 Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. BRS.26.000174 ECLI:NL:RVS:2026:2214 Datum uitspraak: 23 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 december 2025 in zaak nr. NL25.45364 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij uitspraak van 19 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S. Cetinkaya-Ahmad, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 30 januari 2026 heeft de minister de aanvraag van appellant afgewezen. Appellant heeft op verzoek van de Afdeling nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van het besluit, had de minister nog geen besluit genomen op zijn asielaanvraag van 5 januari 2024. Dat heeft de minister bij besluit van 30 januari 2026 alsnog gedaan. Wat appellant aanvoert, levert geen belang op voor het beoordelen van zijn hoger beroep. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De Afdeling ziet aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen. Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van het besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe. Het besluit van 30 januari 2026 3. Het besluit van 30 januari 2026 wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Appellant heeft bij brief van 27 februari 2026 laten weten het niet eens te zijn met dat besluit. 4. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 30 januari 2026 krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag. De Afdeling vindt het passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; II. verwijst het beroep tegen het besluit van 30 januari 2026, V-[…], naar de rechtbank Den Haag; III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier. w.g. Den Heyer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Driesten griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026 1048
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2214 text/xml public 2026-04-29T10:31:49 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-23 BRS.26.000174 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2214 text/html public 2026-04-21T12:48:45 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2214 Raad van State , 23-04-2026 / BRS.26.000174 Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. BRS.26.000174 ECLI:NL:RVS:2026:2214 Datum uitspraak: 23 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 december 2025 in zaak nr. NL25.45364 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij uitspraak van 19 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S. Cetinkaya-Ahmad, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 30 januari 2026 heeft de minister de aanvraag van appellant afgewezen. Appellant heeft op verzoek van de Afdeling nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van het besluit, had de minister nog geen besluit genomen op zijn asielaanvraag van 5 januari 2024. Dat heeft de minister bij besluit van 30 januari 2026 alsnog gedaan. Wat appellant aanvoert, levert geen belang op voor het beoordelen van zijn hoger beroep. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De Afdeling ziet aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen. Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van het besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe. Het besluit van 30 januari 2026 3. Het besluit van 30 januari 2026 wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Appellant heeft bij brief van 27 februari 2026 laten weten het niet eens te zijn met dat besluit. 4. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 30 januari 2026 krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag. De Afdeling vindt het passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; II. verwijst het beroep tegen het besluit van 30 januari 2026, V-[…], naar de rechtbank Den Haag; III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier. w.g. Den Heyer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Driesten griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026 1048