Rechtspraak
Raad van State
2026-04-22
ECLI:NL:RVS:2026:2199
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,677 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2199 text/xml public 2026-04-29T10:32:12 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-22 BRS.26.000084 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2199 text/html public 2026-04-20T15:38:38 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2199 Raad van State , 22-04-2026 / BRS.26.000084 Bij besluit van 7 december 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld. BRS.26.000084 ECLI:NL:RVS:2026:2199 Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 december 2025 in zaak nr. 25/7167 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 7 december 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 20 maart 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. C.J. van Woerden, hoger beroep ingesteld. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.1 Appellant heeft dezelfde aanvraag als hier aan de orde opnieuw ingediend. De minister heeft daar een inhoudelijk besluit op genomen. Tegen dat besluit stond een bestuursrechtelijke rechtsgang open, waar appellant gebruik van heeft gemaakt. Daarmee heeft appellant een effectief rechtsmiddel tegen de beoordeling waar het hem om te doen is. Daarom valt niet in te zien dat de minister de wezenlijke inhoud van het in artikel 47 van het EU Handvest neergelegde recht heeft geschonden door de eerste aanvraag, waarover deze procedure gaat, buiten behandeling te stellen. De procedures over beide aanvragen staan los van elkaar. Alleen al daarom roept het hogerberoepschrift ook geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). 2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier. w.g. Van Breda lid van de enkelvoudige kamer w.g. Schuurman griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026 282-1173
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2199 text/xml public 2026-04-29T10:32:12 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-22 BRS.26.000084 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2199 text/html public 2026-04-20T15:38:38 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2199 Raad van State , 22-04-2026 / BRS.26.000084 Bij besluit van 7 december 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld. BRS.26.000084 ECLI:NL:RVS:2026:2199 Datum uitspraak: 22 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 december 2025 in zaak nr. 25/7167 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 7 december 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 20 maart 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. C.J. van Woerden, hoger beroep ingesteld. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.1 Appellant heeft dezelfde aanvraag als hier aan de orde opnieuw ingediend. De minister heeft daar een inhoudelijk besluit op genomen. Tegen dat besluit stond een bestuursrechtelijke rechtsgang open, waar appellant gebruik van heeft gemaakt. Daarmee heeft appellant een effectief rechtsmiddel tegen de beoordeling waar het hem om te doen is. Daarom valt niet in te zien dat de minister de wezenlijke inhoud van het in artikel 47 van het EU Handvest neergelegde recht heeft geschonden door de eerste aanvraag, waarover deze procedure gaat, buiten behandeling te stellen. De procedures over beide aanvragen staan los van elkaar. Alleen al daarom roept het hogerberoepschrift ook geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). 2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier. w.g. Van Breda lid van de enkelvoudige kamer w.g. Schuurman griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026 282-1173