Rechtspraak Raad van State 2026-01-14
ECLI:NL:RVS:2026:202
202407635/1/V6. Datum uitspraak: 14 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 november 2024 in zaak nr. 23/7130 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Buitenlandse Zaken. Procesverloop Bij besluit van 1 maart 2023 heeft de minister een verzoek van [appellant] om op enige wijze zijn overkomst naar Nederland te faciliteren (hierna: het verzoek), afgewezen. Bij besluit van 13 september 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.A.L. van de Glind, advocaat in Heerlen, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft partijen uitgenodigd voor een zitting op 11 december 2025. Partijen zijn daar met voorafgaand bericht niet verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] heeft de Afghaanse nationaliteit. Op 25 december 2022 heeft hij de minister gevraagd om hem en zijn gezin naar Nederland over te brengen. [appellant] stelt dat hij van 2010 tot 2012 heeft gewerkt als bewaker van Afghan Security Guard (hierna: ASG) voor de Nederlandse krijgsmacht in Uruzgan, Afghanistan. 1.1. De minister heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellant] niet valt onder de bij de brief van 11 oktober 2021 getroffen speciale voorziening (Kamerstukken II 2021/22, 27 925, nr. 860). De minister heeft hiervoor als reden gegeven dat [appellant] niet voorkomt in de database van het ministerie van Defensie met meldingen van Nederlandse veteranen en hulpverzoeken die uiterlijk 11 oktober 2021 zijn gedaan. De minister heeft niet beoordeeld of [appellant] daadwerkelijk als ASG-bewaker heeft gewerkt voor de Nederlandse krijgsmacht. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het verzoek in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Zij heeft daarbij overwogen dat [appellant] niet binnen het bereik van de speciale voorziening valt, omdat hij zich pas op 25 december 2022 met een verzoek tot overbrenging heeft gemeld. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister niet onzorgvuldig heeft gehandeld door het verzoek af te wijzen, alleen omdat [appellant] zich na 11 oktober 2021 heeft gemeld. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister de hoorplicht in de bezwaarfase niet heeft geschonden. De rechtbank heeft overwogen dat de minister op basis van het bezwaarschrift buiten redelijke twijfel heeft kunnen concluderen dat [appellant] niet voldoet aan de criteria van de speciale voorziening. Ook heeft zij overwogen dat de omstandigheid dat er politieke discussie bestaat over de situatie van Afghaanse bewakers en dat de minister van Defensie heeft toegezegd om de situatie van ASG-bewakers nogmaals tegen het licht te houden, dit oordeel niet anders maakt. Volgens de rechtbank kan de toezegging van de minister van Defensie geen rol spelen in deze zaak, omdat de toezegging gaat over een uitbreiding van de zogenaamde Tolkenregeling en niet over de speciale voorziening waar [appellant] een beroep op doet. Afbakening van de speciale voorziening 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet binnen het bereik van de speciale voorziening valt, omdat hij zich pas op 25 december 2022 met een verzoek tot overbrenging heeft gemeld. Hij voert aan dat de rechtbank er onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat hij zich niet eerder kon melden. Hij was al voor 11 oktober 2021 ondergedoken en wist niet dat hij zich tijdig moest melden bij de Nederlandse autoriteiten. Hij is de Nederlandse taal niet machtig. Ook voert hij aan dat hij zich direct heeft gemeld toen hij bekend was geraakt met de speciale voorziening. 3.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2160, o