Rechtspraak
Raad van State
2026-04-13
ECLI:NL:RVS:2026:2008
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,965 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2008 text/xml public 2026-04-15T10:32:42 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-13 202407298/1/V3 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2008 text/html public 2026-04-13T09:36:37 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2008 Raad van State , 13-04-2026 / 202407298/1/V3 Bij besluit van 5 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd. 202407298/1/V3. Datum uitspraak: 13 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 november 2024 in zaak nr. NL22.15653 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 5 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd. Bij aanvullend besluit van 17 maart 2023 heeft de staatssecretaris een verzoek om bestuurlijke heroverweging van het besluit van 16 november 2017, waarbij de eerdere asielaanvraag van appellant kennelijk ongegrond is verklaard, afgewezen. Bij uitspraak van 8 november 2024 heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep tegen deze besluiten ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.A. Krikke, advocaat in Bussum, hoger beroep ingesteld. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Overwegingen Hoger beroep 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). Overschrijding van de redelijke termijn 2. Appellant heeft in hoger beroep een verzoek gedaan om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 2.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit twee rechterlijke instanties bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt twee jaar gerekend voor iedere rechterlijke fase. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank. 2.2. De rechtbank heeft het beroepschrift van appellant ontvangen op 12 augustus 2022. Anders dan appellant betoogt, begon de redelijke termijn op die dag en verloopt deze op 12 augustus 2026. De redelijke termijn is op het moment van deze uitspraak dus nog niet overschreden. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn daarom af. Conclusie 3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. J. Luijendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier. w.g. Luijendijk lid van de enkelvoudige kamer w.g. Nederhoff griffier Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026 918-1085
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2008 text/xml public 2026-04-15T10:32:42 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-13 202407298/1/V3 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2008 text/html public 2026-04-13T09:36:37 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2008 Raad van State , 13-04-2026 / 202407298/1/V3 Bij besluit van 5 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd. 202407298/1/V3. Datum uitspraak: 13 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 november 2024 in zaak nr. NL22.15653 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 5 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd. Bij aanvullend besluit van 17 maart 2023 heeft de staatssecretaris een verzoek om bestuurlijke heroverweging van het besluit van 16 november 2017, waarbij de eerdere asielaanvraag van appellant kennelijk ongegrond is verklaard, afgewezen. Bij uitspraak van 8 november 2024 heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep tegen deze besluiten ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.A. Krikke, advocaat in Bussum, hoger beroep ingesteld. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Overwegingen Hoger beroep 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). Overschrijding van de redelijke termijn 2. Appellant heeft in hoger beroep een verzoek gedaan om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 2.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit twee rechterlijke instanties bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt twee jaar gerekend voor iedere rechterlijke fase. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank. 2.2. De rechtbank heeft het beroepschrift van appellant ontvangen op 12 augustus 2022. Anders dan appellant betoogt, begon de redelijke termijn op die dag en verloopt deze op 12 augustus 2026. De redelijke termijn is op het moment van deze uitspraak dus nog niet overschreden. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn daarom af. Conclusie 3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. J. Luijendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier. w.g. Luijendijk lid van de enkelvoudige kamer w.g. Nederhoff griffier Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026 918-1085