Rechtspraak
Raad van State
2026-04-08
ECLI:NL:RVS:2026:1939
Bestuursrecht
Hoger beroep
1,979 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1939 text/xml public 2026-04-08T11:33:23 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-08 202501972/1/A2 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1939 text/html public 2026-04-08T10:17:17 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1939 Raad van State , 08-04-2026 / 202501972/1/A2 Bij besluit van 21 juni 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven de subsidieaanvraag van [appellant] voor de kosten van de bodemsanering op zijn perceel [locatie] (voorheen: De Presstraat) in Eindhoven (het perceel) afgewezen. [appellant] is sinds 2007 eigenaar van het perceel. Het college heeft naar aanleiding van een bodemonderzoek geconstateerd dat er op het perceel sprake is van ernstige bodemverontreiniging. De bodemverontreiniging is op meerdere plekken ingetreden, die grofweg zijn in te delen in twee gebieden: 1) de ontstaansbron van de verontreiniging, te weten het (bron)perceel, en 2) de uitloop van de bodemverontreiniging naar de omgeving buiten het bronperceel (de pluim). Het college heeft bij besluit van 27 juni 2022 op grond van artikel 55b van de Wet bodembescherming (thans vervallen) [appellant] als eigenaar van het perceel opgedragen de verontreinigde grond van zowel het bronperceel als de pluim zo spoedig mogelijk te saneren. 202501972/1/A2. Datum uitspraak: 8 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 februari 2025 in zaak nr. 24/1285 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven. Procesverloop Bij besluit van 21 juni 2023 heeft het college de subsidieaanvraag van [appellant] voor de kosten van de bodemsanering op zijn perceel [locatie] (voorheen: De Presstraat) in Eindhoven (het perceel) afgewezen. Bij besluit van 23 januari 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 24 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door drs. N.H.A. van Hirtum, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] is sinds 2007 eigenaar van het perceel. Het college heeft naar aanleiding van een bodemonderzoek geconstateerd dat er op het perceel sprake is van ernstige bodemverontreiniging. De bodemverontreiniging is op meerdere plekken ingetreden, die grofweg zijn in te delen in twee gebieden: 1) de ontstaansbron van de verontreiniging, te weten het (bron)perceel, en 2) de uitloop van de bodemverontreiniging naar de omgeving buiten het bronperceel (de pluim). Het college heeft bij besluit van 27 juni 2022 op grond van artikel 55b van de Wet bodembescherming (thans vervallen) [appellant] als eigenaar van het perceel opgedragen de verontreinigde grond van zowel het bronperceel als de pluim zo spoedig mogelijk te saneren. 2. [appellant] heeft het college verzocht om een financiële bijdrage voor de sanering van de bodemverontreiniging van de pluim. De bodemverontreiniging komt voort uit de exploitatie van een chemische wasserij, die tussen 1972 en 1984 aan de achterzijde van het perceel was gevestigd en waarvoor destijds een vergunning is verleend. Volgens [appellant] is het in dit verband, gezien het grote tijdsverloop van 50 jaar tussen het sluiten van de chemische wasserij en de constatering van de bodemverontreiniging, aan het college te wijten dat de pluim heeft kunnen ontstaan: was bij de sluiting van de chemische wasserij direct opgetreden tegen de bodemverontreiniging op het bronperceel, dan had de bodemverontreiniging zich immers niet verder kunnen verspreiden. [appellant] stelt dat hij bij de koop er niet van op de hoogte was dat de bodem van het perceel was verontreinigd. Besluitvorming 3. Het college heeft het verzoek van [appellant] om een financiële bijdrage opgevat als een subsidieaanvraag. Hij heeft daartoe het standpunt ingenomen dat er geen subsidieverordening of -regeling is op grond waarvan de door [appellant] verzochte subsidie kan worden verstrekt. Daarbij komt dat [appellant] geen rechtspersoon (in oprichting) is, waardoor ook niet op grond van artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang gelezen met artikel 2, derde lid, van de Algemene subsidieverordening, subsidie kan worden verstrekt. Voorts slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet. Er is geen toezegging gedaan dat het college een financiële bijdrage zou leveren aan de bodemsanering of rechtstreeks aan [appellant] een bedrag zou betalen. Beoordeling van het hoger beroep 4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij er niet op mocht vertrouwen dat het college een deel van de kosten van de bodemsanering van het perceel - de pluim - voor eigen rekening zou nemen. [persoon 1], een ambtenaar van de gemeente Eindhoven, heeft verschillende toezeggingen gedaan dat het college de verantwoordelijkheid voor de pluim voor zijn rekening zou nemen en dat [appellant] de saneringskosten van het bronperceel zou dekken. Deze toezegging heeft [persoon 1] meermaals gedaan, namelijk in een telefoongesprek van 10 december 2021, een bespreking op 23 februari 2022 en een bespreking op 27 juni 2022. Verder blijkt ook uit een e-mail van [gemachtigde] van 3 mei 2023, waarin wordt verwezen naar een e-mail van 10 oktober 2022, dat het college de pluim voor haar rekening zou nemen. Ook is het citaat van [persoon 1] waarnaar de rechtbank verwijst uit zijn verband getrokken. Die passage moet worden gezien in het kader van het splitsen van de kosten van het saneren tussen het college en [appellant], waarbij [appellant] de verantwoordelijkheid over de gehele sanering zou nemen en het college het aandeel van de pluim aan hem zou vergoeden. Op deze wijze zou het college kunnen delen in de subsidie aan Bodem Beheer Nederland (BBN), het bedrijf dat de sanering uitvoert. 4.1. Vaststaat dat er geen subsidieregeling of -verordening is op grond waarvan aan natuurlijke personen subsidie kan worden verleend voor de sanering van bodemverontreiniging. In geschil is of het college bij [appellant] vertrouwen heeft gewekt dat het college het deel van de kosten van de bodemsanering van de pluim dekt. 4.2. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe (zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, onder 11.2). 4.3. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat van de zijde van het college een toezegging is gedaan om de kosten van de bodemsanering van het perceel van [appellant] ten aanzien van de pluim voor zijn rekening te nemen. [appellant] wijst op een telefoongesprek op 10 december 2021 en op een bespreking op 23 februari 2022, maar daarvan heeft [appellant] alleen door hemzelf opgestelde verslagen overgelegd die niet aan het college zijn voorgelegd. Verder kan de toezegging ook niet worden afgeleid uit het gespreksverslag van 27 juni 2022, opgemaakt door het college. Naast het feit dat daarin is opgenomen dat door [persoon 1] is gezegd "dat het zijns inziens onwaarschijnlijk is dat de gemeente [appellant] gaat betalen", staat daarin ook dat de mate waarin de gemeente bereid is de saneringsmaatregelen in openbaar gebied uit te voeren, afhankelijk is van de saneringsaanpak van [appellant].