Rechtspraak
Raad van State
2026-04-08
ECLI:NL:RVS:2026:1937
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,043 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1937 text/xml public 2026-04-08T11:32:59 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-08 202502289/1/A2 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1937 text/html public 2026-04-08T10:17:11 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1937 Raad van State , 08-04-2026 / 202502289/1/A2 Bij besluit van 11 augustus 2023 heeft de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van wijlen [wederpartij] over 2022 definitief vastgesteld op € 0,00 en het betaalde voorschot van € 4.063,00 teruggevorderd. [wederpartij] was de weduwe van [persoon]. [persoon] heeft op 13 september 2013, kort voor zijn overlijden op [datum] 2013, een uitkering van € 18.907,00 ontvangen op grond van de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom en asbestose. Bij de vaststelling van het recht op huurtoeslag van [wederpartij] voor het jaar 2022 is de Dienst Toeslagen uitgegaan van een rendementsgrondslag van € 32.968,00. Voor het jaar 2022 was een bedrag van € 31.747,00 toegestaan. De Dienst Toeslagen heeft daarom het besluit van 11 augustus 2023 genomen. In het besluit van 19 januari 2024, waarbij de Dienst Toeslagen die beslissing in stand heeft gelaten, heeft de Dienst Toeslagen het standpunt ingenomen dat geen aanleiding bestaat om de TNS-uitkering als bijzonder vermogen buiten beschouwing te laten bij de berekening van de rendementsgrondslag. 202502289/1/A2. Datum uitspraak: 8 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de Dienst Toeslagen, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 maart 2025 in zaak nr. 24/1480 in het geding tussen: de erven van [wederpartij] (hierna: de erven) en de Dienst Toeslagen. Procesverloop Bij besluit van 11 augustus 2023 heeft de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van wijlen [wederpartij] over 2022 definitief vastgesteld op € 0,00 en het betaalde voorschot van € 4.063,00 teruggevorderd. Bij besluit van 19 januari 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door de erven daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 maart 2025 heeft de rechtbank het door de erven daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 januari 2024 vernietigd en de Dienst Toeslagen opgedragen om binnen zes weken met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tegen deze uitspraak heeft de Dienst Toeslagen hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 januari 2026, waar de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], is verschenen. Overwegingen 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. Inleiding 2. [wederpartij] was de weduwe van [persoon]. [persoon] heeft op 13 september 2013, kort voor zijn overlijden op [datum] 2013, een uitkering van € 18.907,00 ontvangen op grond van de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom en asbestose (hierna: de TNS-uitkering). Bij de vaststelling van het recht op huurtoeslag van [wederpartij] voor het jaar 2022 is de Dienst Toeslagen uitgegaan van een rendementsgrondslag van € 32.968,00. Voor het jaar 2022 was een bedrag van € 31.747,00 toegestaan. De Dienst Toeslagen heeft daarom het besluit van 11 augustus 2023 genomen. In het besluit van 19 januari 2024, waarbij de Dienst Toeslagen die beslissing in stand heeft gelaten, heeft de Dienst Toeslagen het standpunt ingenomen dat geen aanleiding bestaat om de TNS-uitkering als bijzonder vermogen buiten beschouwing te laten bij de berekening van de rendementsgrondslag. Uitspraak van de rechtbank 3. Volgens de rechtbank had de Dienst Toeslagen bij de berekening van de huurtoeslag over 2022 de TNS-uitkering moeten aanmerken als bijzonder vermogen. Aan dat oordeel heeft zij onder meer de volgende overwegingen ten grondslag gelegd. Op grond van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Uitvoeringsregeling Awir), zoals die tot 1 januari 2024 luidde, wordt een vergoeding ingevolge de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers, zoals de TNS-uitkering, als bijzonder vermogen buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de rendementsgrondslag, als die uitkering is uitgekeerd aan het slachtoffer zelf. Met een wijziging van de regels per 1 januari 2024 geldt dit ook als de uitkering is verstrekt aan nabestaanden van asbestslachtoffers (de gerechtigden). Strikt genomen lijkt [wederpartij] niet onder de uitzondering te vallen, omdat de uitkering niet rechtstreeks aan haar is verstrekt, maar aan haar echtgenoot. Uit de toelichting bij de nieuwe regel lijkt echter niet te volgen dat zij niet voor de uitzondering in aanmerking zou moeten komen. In de toelichting is niet terug te lezen dat daarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen nabestaanden die de uitkering rechtstreeks hebben ontvangen en nabestaanden die deze hebben geërfd. Verder is van belang dat [wederpartij] de uitkering mede heeft ontvangen doordat deze in de gemeenschappelijke boedel viel. Ook is van belang dat het voor de hoogte van de uitkering niet uitmaakt of deze aan het asbestslachtoffer zelf wordt uitgekeerd dan wel aan de nabestaanden. Wanneer de schadevergoeding zou zijn uitgekeerd nadat [persoon] was overleden, zou dus precies dezelfde uitkering aan [wederpartij], als gerechtigde, zijn verstrekt. In dat geval zou ditzelfde bedrag aan uitkering als bijzonder vermogen zijn aangemerkt. [wederpartij] zou haar toeslag dan niet hoeven terug te betalen. Het enige verschil met de huidige situatie is de overlijdensdatum van [persoon] en het feit dat de uitkering daardoor via hem in de gemeenschappelijke boedel is gekomen. Voor het overige zouden de omstandigheden gelijk zijn. Het zou om eenzelfde bedrag gaan, dat om dezelfde reden, namelijk het feit dat [persoon] asbestslachtoffer is, zou zijn verstrekt. Hoewel begrijpelijk is dat de Dienst Toeslagen de regels strikt hanteert, lijkt het erop alsof het kabinet juist voor situaties zoals die van [wederpartij] een uitzondering heeft willen maken in de nieuwe regels. De Dienst Toeslagen heeft ook niet kunnen toelichten waarom het verschil maakt of [persoon] nog leefde toen de uitkering verstrekt werd. In dit geval is een te strikte toepassing van de uitzonderingsgrond, gelet op deze omstandigheden, onredelijk bezwarend, aldus de rechtbank. Hoger beroep en beoordeling daarvan 4. De Dienst Toeslagen betoogt dat de rechtbank ten onrechte het feitencomplex van deze zaak heeft getoetst aan het gewijzigde artikel 9, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Awir, zoals die bepaling per 1 januari 2024 luidde. De wijziging van die bepaling bevatte geen overgangsrecht en de rechtbank heeft op deze wijze terugwerkende kracht aan die wijziging toegekend. Subsidiair heeft de rechtbank volgens de Dienst Toeslagen ten onrechte overwogen dat de wetgever met het gewijzigde artikel 9, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Awir geen onderscheid heeft willen maken tussen nabestaanden die rechtstreeks een uitkering hebben gekregen en nabestaanden die deze (gedeeltelijk) hebben geërfd. Volgens de Dienst Toeslagen blijkt uit de toelichting juist dat de wetgever wel een onderscheid heeft willen maken. Daarbij is van belang dat het niet mogelijk is om na te gaan of en zo ja voor welk deel de TNS-uitkering in het hier relevante toeslagjaar nog tot het vermogen van [wederpartij] behoorde. De uitleg die de rechtbank aan de regels heeft gegeven, zou in de praktijk onuitvoerbaar zijn, aldus de Dienst Toeslagen. 4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, moeten toeslagzaken, behoudens het geval waarin in andersluidend overgangsrecht is voorzien, steeds worden beoordeeld op grond van de regelgeving zoals die gold ten tijde van het toeslagjaar. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3536, onder 5.6. Dit uitgangspunt geldt ook als toepassing van die regelgeving voor de betrokkene nadeliger is dan toepassing van de regelgeving zoals die gold ten tijde van de besluitvorming. Zie de uitspraak van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3506, onder 11.