Rechtspraak
Raad van State
2026-04-03
ECLI:NL:RVS:2026:1873
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
879 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1873 text/xml public 2026-04-08T11:33:16 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-03 BRS.26.001604 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1873 text/html public 2026-04-02T17:17:19 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1873 Raad van State , 03-04-2026 / BRS.26.001604 Bij besluiten van 29 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. BRS.26.001604 ECLI:NL:RVS:2026:1873 Datum uitspraak: 3 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 5 februari 2026 in zaken nrs. NL25.53034 en NL25.53036 in het geding tussen: [verzoeker A], [verzoeker B], mede voor hun minderjarige kinderen, verzoekers, en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluiten van 29 oktober 2025 heeft de minister aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 5 februari 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Verzoekers hebben op 1 april 2026 krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bezwaar gemaakt tegen de feitelijke overdracht en de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet worden overgedragen voordat op het hoger beroep is beslist. 2. De Afdeling stelt vast dat de rechtbank de overdrachtsbesluiten die overdracht aan België mogelijk maken, heeft vernietigd en dat niet is gebleken dat de minister nieuwe besluiten heeft genomen. Er bestaat daarom geen grond om verzoekers over te dragen. Verzoekers hebben een brief van de Dienst Terugkeer en Vertrek overgelegd waaruit volgt dat zij op 7 april 2026 toch zullen worden overgedragen aan België. Gelet hierop wijst de voorzieningenrechter van de Afdeling het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening toe. 3. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekers niet worden overgedragen, totdat op het hoger beroep is beslist; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier. w.g. Ristra-Peeters voorzieningenrechter w.g. de Jong griffier Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026 981