Rechtspraak
Raad van State
2026-04-02
ECLI:NL:RVS:2026:1862
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,984 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1862 text/xml public 2026-04-08T11:33:13 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-02 202505260/2/R3 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1862 text/html public 2026-04-02T08:02:39 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1862 Raad van State , 02-04-2026 / 202505260/2/R3 Bij besluit van 14 augustus 2025 heeft het college van gedeputeerde staten van Drenthe het projectbesluit "Optimalisatie waterberging De Onlanden" vastgesteld. Het projectbesluit heeft betrekking op het gebied "De Onlanden". De Onlanden is een gebied van ongeveer 1.750 hectare dat ten zuidwesten van de stad Groningen is gelegen, op de grens van Groningen en Drenthe. In de huidige situatie wordt het gebied al gebruikt om water op te vangen bij extreme neerslag. Het gebied heeft een waterbergingscapaciteit van ongeveer 7,5 miljoen m3 water. Het projectbesluit voorziet in de maatregelen die nodig zijn om het extra water in het gebied te kunnen bergen. Het gaat onder meer om het plaatsen van twee nieuwe stuurbare stuwen aan de Hooiweg, het aanpassen van de Doolhofstuw en het ophogen van kades. [verzoeker sub 1] en [verzoekster sub 2] hebben een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, omdat er werkzaamheden plaatsvinden waarmee de maatregelen waar het projectbesluit in voorziet worden verricht. 202505260/2/R3. Datum uitspraak: 2 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: 1. [verzoeker sub 1], wonend in [woonplaats], 2. [verzoekster sub 2], gevestigd in [plaats], verzoekers, en het college van gedeputeerde staten van Drenthe, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 14 augustus 2025 heeft het college het projectbesluit "Optimalisatie waterberging De Onlanden" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [verzoeker sub 1] en [verzoekster sub 2] beroep ingesteld. Ook hebben [verzoeker sub 1] en [verzoekster sub 2] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [verzoeker sub 1], [verzoekster sub 2] en Waterschap Noorderzijlvest hebben nadere stukken ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 maart 2026, waar [verzoeker sub 1], [verzoekster sub 2], vertegenwoordigd door mr. D.J. Meijer en mr. K. Mulder, beiden advocaat te Groningen, vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. K. Timmer, advocaat te Groningen, zijn verschenen. Voort is ter zitting het Waterschap Noorderzijlvest, vertegenwoordigd door mr. C. Oving-Meinders en [gemachtigden], als partij gehoord. Overwegingen Voorlopig karakter 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. Inleiding 2. Het projectbesluit heeft betrekking op het gebied "De Onlanden". De Onlanden is een gebied van ongeveer 1.750 hectare dat ten zuidwesten van de stad Groningen is gelegen, op de grens van Groningen en Drenthe. In de huidige situatie wordt het gebied al gebruikt om water op te vangen bij extreme neerslag. Het gebied heeft een waterbergingscapaciteit van ongeveer 7,5 miljoen m3 water. Via het project "Droge Voeten 2050" is onderzocht welke maatregelen tot 2025 nodig zijn om aan de waterveiligheidsnormen in de boezem te voldoen en om ook in de toekomst, met 2050 als zichtjaar, wateroverlast te kunnen voorkomen. Een van de maatregelen is de optimalisatie van waterberging in De Onlanden, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan het voorkomen van te hoge waterstanden in het boezemwatersysteem tijdens extreme weersomstandigheden. Op hoofdlijnen betekent de optimalisatie van de waterberging dat de waterbergingscapaciteit van De Onlanden uitgebreid moet worden naar 12,7 miljoen m3 water. Daarvoor moet het water tot +0,18 m NAP vastgehouden kunnen worden. Het projectbesluit voorziet in de maatregelen die nodig zijn om het extra water in het gebied te kunnen bergen. Het gaat onder meer om het plaatsen van twee nieuwe stuurbare stuwen aan de Hooiweg, het aanpassen van de Doolhofstuw en het ophogen van kades. 3. [verzoeker sub 1] en [verzoekster sub 2] hebben een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, omdat er werkzaamheden plaatsvinden waarmee de maatregelen waar het projectbesluit in voorziet worden verricht. Spoedeisend belang 4. De voorzieningenrechter stelt vast [verzoeker sub 1] in een nader stuk van 16 maart 2026 heeft aangegeven dat hij de rechtmatigheid van het projectbesluit niet bestrijdt. In plaats daarvan bestrijdt hij de wijze waarop de provincie, het waterschap en de gemeente hun taken uitvoeren. Nu [verzoeker sub 1] de rechtmatigheid van het projectbesluit niet bestrijdt, is met het verzoek om voorlopige voorziening naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen spoedeisend belang gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. [verzoekster sub 2] vreest voor gevolgen voor haar bedrijfsvoering en woon- en leefklimaat als gevolg van de realisatie van de maatregelen en de inzet van de extra waterbergingscapaciteit nadat de werkzaamheden zijn voltooid. Nu er al werkzaamheden plaatsvinden, is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van spoedeisend belang. Beoordeling van het verzoek 5. De gronden die [verzoekster sub 2] heeft aangevoerd lenen zich niet voor een voorlopig rechtmatigheidsoordeel. Daarom zal de voorzieningenrechter met een belangenafweging bepalen of vooruitlopend op de beoordeling van de beroepsgronden in de bodemprocedure een voorlopige voorziening moet worden getroffen. Belangenafweging 6. Het belang dat volgens [verzoekster sub 2] aanleiding geeft om het projectbesluit te schorsen, is het belang bij het voorkomen van gevolgen voor haar bedrijfsvoering en woon- en leefklimaat. Zij vreest onder meer voor vernatting van haar gronden, een toename van overlast van muggen en knutten en - als gevolg daarvan - verspreiding van het blauwtongvirus. Het college heeft gewezen op het maatschappelijk belang dat gemoeid is met de doorgang van werkzaamheden waarmee de extra waterbergingscapaciteit wordt gerealiseerd. Volgens het college is het een belangrijke en onmisbare maatregel die ervoor zorgt dat aan de waterveiligheidsnormen wordt voldaan en inwoners gevrijwaard blijven van een onaanvaardbare wateroverlast. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient het maatschappelijke belang zwaarder te wegen dan het individuele belang van [verzoekster sub 2]. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de gronden van [verzoekster sub 2] buiten het projectgebied liggen en dat in het milieueffectrapport van Antea Group van 18 juli 2025 en de onderzoeken die daarbij als bijlage zijn gevoegd, waaronder de "Geohydrologische effectenanalyse Waterberging Onlanden" van Witteveen+Bos van 21 september 2023 en de "Risicoanalyse steekmuggenoverlast extra waterberging Onlanden" van Altenburg & Wymenga van 27 maart 2025, onder meer wordt ingegaan op geohydrologische effecten en overlast van muggen en knutten en, kort gezegd, geconcludeerd wordt dat geen van de door de [verzoekster sub 2] gevreesde negatieve effecten als gevolg van het projectbesluit worden verwacht. Conclusie 7. Gelet hierop bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. 8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af; Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier. w.g. Van Ravels voorzieningenrechter w.g. Van der Heijden griffier Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026 884