Rechtspraak
Raad van State
2026-03-23
ECLI:NL:RVS:2026:1788
Bestuursrecht
Hoger beroep
1,749 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1788 text/xml public 2026-04-01T10:33:36 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-03-23 202501372/1/A2 Uitspraak Hoger beroep Mondelinge uitspraak NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1788 text/html public 2026-03-31T08:16:08 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1788 Raad van State , 23-03-2026 / 202501372/1/A2 Bij besluit van 31 mei 2023 heeft Sociale Banken Nederland (SBN) namens de Belastingdienst/Toeslagen (nu: de minister van Financiën) geweigerd om een al betaalde private schuld van [appellant] terug te betalen. [appellant] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft verzocht om compensatie voor de door hem inmiddels afgeloste geldschuld van € 6.821,50 aan ABN Amro. De minister heeft geweigerd de schuld te compenseren. De afgeloste schuld is een flexibel krediet bij een bank dat met ingang van 1 januari 2022 is geblokkeerd. Volgens de productvoorwaarden die onderdeel uitmaken van de kredietovereenkomst is de hoofdsom opeisbaar als sprake is van een betalingsachterstand van twee maanden en betaling ondanks een ingebrekestelling uitblijft. Volgens de minister is niet gebleken dat de afgeloste schuld eerder dan de blokkering ervan, en in ieder geval vóór 1 juni 2021, opeisbaar is geworden. Daarom is niet voldaan aan de voorwaarden voor het overnemen van een schuld, opgenomen in artikel 4.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). Aan deze voorwaarden moet ook zijn voldaan als om compensatie van een al afgeloste schuld wordt verzocht. Dat staat in artikel 4.3, eerste lid, van de Wht. 202501372/1/A2. Datum uitspraak: 23 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank OostBrabant van 27 januari 2025 in zaak nr. 24/31 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Financiën. Openbare zitting gehouden op 23 maart 2026 om 10:00 uur. Tegenwoordig: Staatsraad mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer Griffier: mr. T. van Goeverden-Clarenbeek Jurist: mr. S. de Poorter Verschenen: Via videoverbinding: [appellant], bijgestaan door mr. A.P. van Knippenbergh, advocaat in Best; de minister van Financiën, vertegenwoordigd door mr. drs. A. Divis-Stein en mr. J. Rhebergen. Bij besluit van 31 mei 2023 heeft Sociale Banken Nederland (SBN) namens de Belastingdienst/Toeslagen (nu: de minister) geweigerd om een al betaalde private schuld van [appellant] terug te betalen. Bij besluit van 18 december 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank waarin het beroep van [appellant] tegen het besluit van 18 december 2023 ongegrond is verklaard. Beslissing De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak. Motivering 1. [appellant] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft verzocht om compensatie voor de door hem inmiddels afgeloste geldschuld van € 6.821,50 aan ABN Amro. De minister heeft geweigerd de schuld te compenseren. De afgeloste schuld is een flexibel krediet bij een bank dat met ingang van 1 januari 2022 is geblokkeerd. Volgens de productvoorwaarden die onderdeel uitmaken van de kredietovereenkomst is de hoofdsom opeisbaar als sprake is van een betalingsachterstand van twee maanden en betaling ondanks een ingebrekestelling uitblijft. Volgens de minister is niet gebleken dat de afgeloste schuld eerder dan de blokkering ervan, en in ieder geval vóór 1 juni 2021, opeisbaar is geworden. Daarom is niet voldaan aan de voorwaarden voor het overnemen van een schuld, opgenomen in artikel 4.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht). Aan deze voorwaarden moet ook zijn voldaan als om compensatie van een al afgeloste schuld wordt verzocht. Dat staat in artikel 4.3, eerste lid, van de Wht. 2. De rechtbank heeft overwogen dat de minister de schuld terecht niet heeft gecompenseerd. Uit de voorwaarden van het krediet blijkt dat het krediet vervroegd opeisbaar is als de kredietnemer twee maanden achterstallig is in de betaling van een maandtermijn, door de bank in gebreke is gesteld en betaling toch uitblijft. Uit de gegevens die de minister heeft ontvangen van ABN Amro blijkt dat geen betalingsachterstanden geregistreerd waren. Uit de door [appellant] overgelegde stukken blijkt niet dat dat er wel betalingsachterstanden zijn geweest of dat de bank hem in gebreke heeft gesteld. Indien en voor zover de hoofdsom opeisbaar is geworden met de blokkering van het flexibel krediet per 1 januari 2022, is dat volgens de rechtbank in ieder geval niet voor 1 juni 2021 geweest. De wetgever heeft bewust gekozen voor het stellen van de voorwaarde van opeisbaarheid. Er doen zich geen bijzondere omstandigheden voor die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Er is daarom geen ruimte om artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht op grond van het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing te laten. 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het flexibel krediet per 1 januari 2022 is geblokkeerd, wat volgens hem alleen kan betekenen dat er betalingsachterstanden waren. [appellant] heeft meerdere keren zijn dossier opgevraagd bij ABN Amro om de opeisbaarheid aan te kunnen tonen, maar ABN Amro heeft dit niet verstrekt. Omdat hij in bewijsnood verkeert, had de rechtbank de minister moeten opdragen om zijn dossier bij ABN Amro op te vragen. [appellant] stelt verder dat zijn situatie een bijzondere situatie is die niet is voorzien door de wetgever. 4. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 12 en 14 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan toe dat ABN Amro op 15 februari 2023 aan SBN heeft medegedeeld dat [appellant] op 31 mei 2021 geen betalingsachterstand had, dat hij binnen de limiet van het flexibel krediet heeft gebankierd en dat er geen vorderingen zijn opgeëist. Er is dus geen sprake van een betalingsachterstand die voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. De Afdeling heeft geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van deze informatie. Voor de rechtbank bestond dan ook geen aanleiding om de minister verder navraag te laten doen bij ABN Amro. De rechtbank is ten slotte, gelet op de uitspraak van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040, onder 18-21, terecht niet toegekomen aan toetsing van het besluit van 18 december 2023 aan het evenredigheidsbeginsel. 5. Het hoger beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. w.g. Willems lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Goeverden-Clarenbeek griffier 488-1081/1197