Rechtspraak
Raad van State
2026-03-25
ECLI:NL:RVS:2026:1673
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,283 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1673 text/xml public 2026-04-01T10:32:21 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-03-25 202502860/1/V1 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1673 text/html public 2026-03-25T08:22:33 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1673 Raad van State , 25-03-2026 / 202502860/1/V1 Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen. 202502860/1/V1. Datum uitspraak: 25 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], mede voor hun minderjarige kinderen, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 16 mei 2025 in zaak nr. NL25.9635 in het geding tussen: appellanten en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen. Bij uitspraak van 16 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, de minister opgedragen om voor 29 september 2025 alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken en bepaald dat de minister aan appellanten een dwangsom verbeurt van € 100,00 voor elke dag dat hij die datum overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00. Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. D. de Vries, advocaat in Leeuwarden, hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 20 februari 2026 heeft de minister de aanvraag van appellanten afgewezen. Overwegingen 1. Toen de rechtbank uitspreek deed op het beroep van appellanten tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op de aanvraag van 4 oktober 2023. Dat heeft hij bij het besluit van 20 februari 2026 wel gedaan. Wat appellanten in hun enige grief aanvoeren over de door de rechtbank bepaalde beslistermijn, schept daarom geen belang voor het beoordelen van hun hoger beroep. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. 3. Niettemin moet worden bezien of de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan appellanten tegemoet is gekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door toedoen van de minister is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1). Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat, wanneer de minister hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit dit besluit alsnog neemt, dit wordt aangemerkt als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb (uitspraken van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:665, onder 1.2, en 24 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4296, onder 5). Dat het hoger beroep gaat over de door de rechtbank bepaalde beslistermijn, laat onverlet dat het belang van een uitspraak is komen te vervallen doordat de minister een besluit heeft genomen. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen. 4. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de nareisaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe. 5. Het besluit van 20 februari 2026 wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Bij besluit van 20 februari 2026 heeft de minister de aanvraag van appellanten afgewezen. Appellanten hebben, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet laten weten het niet eens te zijn met dit besluit. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 20 februari 2026, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de minister voor de behandeling als bezwaar. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; III. verwijst het beroep van rechtswege tegen het besluit van 20 februari 2026, V-[…], V-[…], V-[…], V-[…], V-[…], V-[…], V-[…] en V-[…], ter behandeling als bezwaar naar de minister van Asiel en Migratie. Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier. w.g. Ristra-Peeters lid van de enkelvoudige kamer w.g. Boon griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026 977