Rechtspraak
Raad van State
2026-03-19
ECLI:NL:RVS:2026:1604
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
2,045 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1604 text/xml public 2026-03-25T10:32:28 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-03-19 202302869/1/V1 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1604 text/html public 2026-03-19T09:28:53 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1604 Raad van State , 19-03-2026 / 202302869/1/V1 Bij besluit van 1 oktober 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellanten om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. 202302869/1/V1. Datum uitspraak: 19 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 7 april 2023 in zaak nr. 20/9630 in het geding tussen: appellanten en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 1 oktober 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellanten om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 3 december 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 april 2023 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. P.L.M. Stieger, advocaat te 's-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld. De minister heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven. Appellanten hebben daarop op verzoek van de Afdeling gereageerd. Overwegingen Inleiding 1. Appellanten zijn een vader en een moeder en hun dochter, geboren op [geboortedatum A] 2006, en twee zoons, geboren op [geboortedatum B] 2010 en [geboortedatum C] 2014. Zij hebben allemaal de Armeense nationaliteit. Zij hebben een aanvraag ingediend om hun een verblijfvergunning regulier op grond van de Afsluiting Definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen (Afsluitingsregeling) te verlenen. De afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van de Afsluitingsregeling 2. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat appellanten zich volgens hem langer dan een aangesloten periode van drie maanden, namelijk van 21 september 2016 tot 26 januari 2017, hebben onttrokken aan het toezicht van de IND, de Dienst Terugkeer & Vertrek, het COa of de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel. Zie vereiste c van de Afsluitingsregeling in paragraaf B9/6.5 van de Vc 2000. Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de periode van drie jaar om in beeld te komen bij de Vreemdelingenketen, die hij heeft genoemd in zijn brief van 27 maart 2015 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2014/15, 19 637, nr. 1968), niet op appellanten van toepassing is. Appellanten zijn namelijk door hun eigen toedoen uit beeld geraakt en niet alleen door het eindigen van hun verblijfsrechtelijke procedure, aldus de minister. 3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten niet voldoen aan vereiste c van de Afsluitingsregeling en de in de Kamerbrief genoemde periode van drie jaar niet op hen van toepassing is. Verder heeft de rechtbank overwogen dat meerdere van de door appellanten aangevoerde zaken, waarin de minister wel toepassing heeft gegeven aan de in de Kamerbrief genoemde periode, niet gelijk zijn aan de zaak van appellanten. 4. Wat appellanten hierover aanvoeren, leidt niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 4.1. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (uitspraak van 31 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3109, onder 8.1, over vereiste c van de Afsluitingsregeling). Het hoger beroep biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen. Het beginsel van non-refoulement 5. De Afdeling heeft de minister gevraagd of hij, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 17 oktober 2024, Ararat, ECLI:EU:C:2024:892, punten 38 tot en met 43, aanleiding ziet om een geactualiseerde refoulementbeoordeling te maken voor de uitvoering van het over appellanten genomen terugkeerbesluit. 5.1. De Afdeling stelt vast dat de minister in overeenstemming met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn en het arrest Ararat, punt 52, heeft onderzocht of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen uitvoering van het terugkeerbesluit. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat appellanten bij terugkeer naar Armenië een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met de artikelen 4 en 19, tweede lid, van het EU Handvest. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat uit wat uit het dossier naar voren komt en de verklaringen van appellanten, niet volgt dat de eerder in de asielprocedure gemaakte refoulementbeoordeling voor appellanten achterhaald is. De asielprocedure ging over de ouders, de dochter en de oudste zoon. In de asielprocedure heeft de minister niet geloofwaardig geacht dat de vader problemen heeft gehad vanwege zijn betrokkenheid bij de Armeense volkspartij en de moeder vanwege haar etnische afkomst. De afwijzingen van de asielaanvragen staan in rechte vast. Waar het gaat om de jongste zoon overweegt de Afdeling als volgt. Anders dan de minister betoogt, is de verplichting om een refoulementbeoordeling te maken niet beperkt tot gevallen waarin een vreemdeling eerder een asielprocedure heeft doorlopen. Uit het arrest Ararat, punten 35 en 38, volgt namelijk dat de minister op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn in alle fasen van de terugkeerprocedure met het beginsel van non-refoulement rekening moet houden. De minister mag bovendien niet van een vreemdeling verwachten dat hij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient om de volledige eerbiediging van het beginsel van non-refoulement tot gelding te laten komen. Zie het arrest Ararat, punten 40 en 41, en het arrest van het Hof van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647, punten 74 en 75. De minister stelt zich echter deugdelijk gemotiveerd op het standpunt dat uit het dossier niet naar voren komt dat de jongste zoon in Armenië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest. In hun reactie op de schriftelijke inlichtingen van de minister bestrijden appellanten dit standpunt ook niet. Waar het gaat om de medische omstandigheden van de moeder en de dochter roept de minister de vraag op of hij gezondheidsproblemen van een vreemdeling moet betrekken in zijn beoordeling van een risico op refoulement als bedoeld in het arrest Ararat. Zoals de minister onderkent kunnen gezondheidsproblemen van een vreemdeling in uitzonderlijke omstandigheden leiden tot een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar een bepaald land. Dit volgt bijvoorbeeld uit de arresten van het Hof van 18 december 2014, M’Bodj, ECLI:EU:C:2014:2452, punten 39 tot en met 41, en het EHRM van 13 december 2016, Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810, paragrafen 172 tot en met 193. Gelet daarop zal de minister om het beginsel van non-refoulement in een reguliere procedure te waarborgen, ook in aanmerking moeten nemen of eventuele gezondheidsproblemen van een vreemdeling zich verzetten tegen uitzetting van die vreemdeling naar een bepaald land. De minister heeft dat gedaan voor de gezondheidsproblemen van de moeder en de dochter in deze zaak.