Rechtspraak Raad van State 2026-03-18
ECLI:NL:RVS:2026:1525
202307021/1/R2. Datum uitspraak: 18 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend in [woonplaats], België, en anderen, 2. [appellant sub 2], wonend in Heijningen, gemeente Moerdijk, en anderen, appellanten, en de raad van de gemeente Steenbergen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 28 september 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Van Heemskerckstraat/Karel Doormanstraat" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend. [partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 11 november 2025, waar [appellant sub 1] en anderen, bijgestaan door mr. T.I.P. Jeltema, advocaat in Veldhoven, [appellant sub 2] en anderen, in de persoon van [appellant sub 2] en [appellant sub 2A], bijgestaan door mr. R.H.U. Keizer, advocaat in Roosendaal, en de raad, vertegenwoordigd door M. Meulblok, vergezeld van R. Vliex als geluiddeskundige, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. R. Sekeris, advocaat in Rotterdam, als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 10 juni 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 2. Het plan maakt de herontwikkeling van een gedeelte van het bedrijventerrein Molenkreek in Dinteloord naar een woongebied mogelijk. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Dinteloord en wordt globaal begrensd door de Van Heemskerckstraat aan de noordoostzijde, bestaande bedrijven aan de Stellingmolen aan de oostzijde, de Wipmolen en de Karel Doormanstraat aan de zuidzijde en het woongebied "De Pinas" aan de westzijde. Het woongebied "De Pinas" is recent gerealiseerd. Het voorliggende plan vormt de eerste fase van de oostelijke uitbreiding van het woongebied. In deze eerste fase worden 59 woningen gerealiseerd, waarin het plan voorziet. De gronden waarop die woningen zijn voorzien hebben de bestemming "Wonen" gekregen. Een deel van het bedrijventerrein Molenkreek ligt ook in het plangebied. Dat deel van de gronden heeft in plaats van een bedrijfsbestemming de bestemming "Gemengd" gekregen. Binnen die gemengde bestemming zijn onder meer bedrijven tot en met ten hoogste milieucategorie 2 toegestaan. Op gronden met de functieaanduiding "wonen" binnen de gemengde bestemming is ook wonen toegestaan. Verder voorziet het plan erin dat de Van Heemskerckstraat zal worden verlegd en de straat Boeier wordt doorgetrokken richting Wipmolen. Hierdoor ontstaat een nieuw regulier viertakskruispunt tussen de Boeier, de Van Heemskerckstraat, de Wipmolen en de Karel Doormanstraat. 3. [appellant sub 1] en anderen zijn een groep van vier natuurlijke personen. Zij zijn eigenaar van de percelen aan de [locatie 1]. Die percelen liggen aan de zuidzijde van het plangebied en grenzen daar direct aan. Op het perceel staat een bedrijfsgebouw met kantoor. De functie van het bedrijfsgebouw is (met name) de opslag van stukgoed met kantoor. [appellant sub 1] en anderen kunnen zich niet verenigen met Wel is het zo dat het voor bestaande bedrijven lastiger zal zijn om hun bedrijfsactiviteiten (op het bedrijventerrein Molenkreek) uit te breiden. Maar volgens de raad is dit niet onmogelijk en wordt bovendien dus gezocht naar geschikte alternatieve bedrijfsruimte in de gemeente. Over die alternatieve bedrijfsruimte heeft de raad toegelicht dat het de bedoeling is dat op geschiktere locaties binnen de gemeente een nieuw bedrijventerrein wordt gerealiseerd, of dat bestaande bedrijventerreinen worden uitgebreid. Zo bestaat het voornemen om het huidige bedrijventerrein Reinierpolder bij Steenbergen uit te breiden, maar ook wordt de mogelijkheid bezien van het ontwikkelen van een nieuw bedrijventerrein tussen de A4 en Dinteloord. 7.2. De raad heeft met het hiervoor weergegeven standpunt naar het oordeel van de Afdeling deugdelijk gemotiveerd waarom het verlies aan bedrijfsruimte binnen de gemeente door de voorziene woningbouw gerechtvaardigd is. Daarvoor is van belang dat de bestaande bedrijven, zoals de raad ook heeft benadrukt, met het voorliggende plan positief zijn bestemd en een uitbreiding van de bestaande bedrijfsvoering op Molenkreek weliswaar moeilijker, maar niet onmogelijk is. Op de zitting hebben [appellant sub 2] en anderen toegelicht dat in elk geval een van hen, namelijk [appellant sub 2B], behoefte heeft aan uitbreidingsruimte en de raad daar met het plan onvoldoende rekening mee heeft gehouden. De raad heeft benadrukt dat een bedrijf dat wil uitbreiden op Molenkreek eventueel een nabijgelegen bedrijfspand kan kopen. Dat dit niet mogelijk is en het plan de bedrijfsvoering en uitbreidingsbehoefte van [appellant sub 2B] onaanvaardbaar belemmerd, is niet gebleken. Op de zitting heeft [appellant sub 2B] (via zijn gemachtigde) namelijk ook te kennen gegeven dat hij een nabijgelegen perceel heeft aangekocht. Verder blijkt uit onder meer de zienswijze van [appellant sub 2] en anderen en de zienswijzennota dat op bedrijventerrein Molenkreek in de afgelopen jaren een aantal panden en loodsen leeg stonden. De raad heeft daarom in dit geval het belang bij het realiseren van de voorziene woningen zwaarder mogen laten wegen dan het belang van appellanten bij het behouden van de betreffende geschikte uitbreidingsruimte. Het betoog slaagt niet. Belemmering bedrijfsvoering door de beoogde woningen 8. [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] en anderen betogen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare belemmering van hun bedrijfsvoering. Daarover hebben zij verschillende argumenten naar voren gebracht. Die argumenten zullen hieronder worden besproken. Eerst wordt het standpunt van de raad en de onderzoeken waarop hij zijn standpunt baseert, toegelicht. 9. De raad heeft bij de voorbereiding van het plan bezien of de nieuwe woningen te verenigen zijn met de al bestaande bedrijfsactiviteiten in de omgeving. Daar gaat paragraaf 4.2 van de plantoelichting over. Uit die paragraaf blijkt dat de raad de aanvaardbaarheid van de woon- en bedrijfsfuncties heeft beoordeeld aan de hand van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG-brochure). In die brochure zijn richtafstanden opgenomen die worden aanbevolen om aan te houden tussen bedrijfsactiviteiten en gevoelige functies. Op het bedrijventerrein Molenkreek zijn bedrijven in ten hoogste milieucategorie 2 toegestaan. In de plantoelichting is geconstateerd dat in elk geval ten aanzien van de bedrijfslocatie van [appellant sub 1] en anderen ([locatie 1]) de aanbevolen richtafstand van 10 m tot de beoogde woningen niet wordt gehaald. Ten aanzien van de bedrijfslocaties van [appellant sub 2] en anderen is geconstateerd dat wel aan de richtafstand wordt voldaan, maar dat desondanks gezien de bedrijfsactiviteiten die plaatsvinden, een onderzoek naar de geluidbelasting noodzakelijk wordt geacht. In de plantoelichting staat dat bij alle bedrijven geluid maatgevend is voor de effecten op de omgeving, waarbij vrachtverkeer bepalend is v Vanwege die vergunningvrije bouwmogelijkheden is het mogelijk dat gevoelige bebouwing dichterbij hun bedrijfsgebouw komt te liggen. Het gaat dan in het bijzonder om de voorziene woningen aan de Boeier (bouwblok W4 en W5) direct naast hun perceel. De geluidbelasting op die vergunningvrije bebouwing kan dus hoger zijn dan op de voorziene woningen. Dit geldt volgens [appellant sub 1] en anderen evengoed voor de afwijkingsmogelijkheden die het plan biedt. Bij het onderzoeken van de gevolgen van een plan moet uit worden gegaan van de maximale planologische mogelijkheden, dus ook van afwijkingsmogelijkheden die in dit geval in het plan zijn opgenomen. Via de in artikel 14.2 en 14.3 van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid kan het aantal toegestane wooneenheden toenemen en kunnen ook de woningtypen veranderen, zodat bijvoorbeeld ook appartementen kunnen worden gerealiseerd. Uit het akoestisch onderzoek blijkt evenmin dat daarmee bij de berekening van de geluidbelasting rekening is gehouden. 12.1. De raad heeft op dit punt verwezen naar de aanvullende notitie van Vliex Akoestiek. Daarin staat dat de geluidbelasting op de vergunningvrije gebouwen in de notitie van 31 oktober 2022 over [locatie 1] inderdaad niet is beschouwd. De reden daarvan is dat de voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 1] en anderen eventueel relevante bebouwing aan de Boeier achter een geluidscherm met een hoogte van 2,5 m opgericht wordt. Uit artikel 8.2.2, aanhef en onder f, van de planregels (over bijbehorende bouwwerken) volgt dat de bouwhoogte van aan- en bijgebouwen niet meer dan 5 m mag bedragen. Dit betekent dat er één bouwlaag zal zijn, zodat de beoordelingshoogte op deze gebouwen 1,5 m bedraagt. Op deze beoordelingshoogte wordt het geluid dat afkomstig is van het bedrijfsperceel van [appellant sub 1] en anderen aanzienlijk afgeschermd door het te realiseren scherm. Vervolgens staat in de aanvullende notitie dat de geluidbelasting is doorberekend, waarbij rekening is gehouden met een uitbouw bij de woningen aan de Boeier. Die berekeningen laten geen hogere geluidbelasting op de aanbouwen zien, zodat ze niet leiden tot een andere conclusie dan in de notitie van 31 oktober 2022. In de aanvullende notitie is verder ingegaan op de afwijkingsmogelijkheden die het plan biedt. Als op basis van die mogelijkheden ook appartementen met drie bouwlagen kunnen worden gerealiseerd, moet de geluidbelasting, naast een hoogte van 1,5 m en 4,5 m waar in de notitie van 31 oktober 2022 vanuit is gegaan, ook op een beoordelingshoogte van 7,5 m inzichtelijk gemaakt worden. Dat is in de aanvullende notitie gedaan. Geconstateerd is dat de geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsvoering van [appellant sub 1] en anderen op een beoordelingshoogte van 7,5 m voor twee bouwblokken iets hoger uitvalt, maar die geluidbelasting is niet hoger dan de belasting die op andere woonblokken is berekend. 12.2. Uit het voorgaande volgt dat in de notitie van 31 oktober 2022 ten aanzien van de bedrijfsvoering van [appellant sub 1] en anderen geen rekening is gehouden met de vergunningvrije bouwmogelijkheden en de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheden. Naar aanleiding van de door [appellant sub 1] en anderen naar voren gebrachte beroepsgronden is in de aanvullende akoestische notitie bezien wat de vergunningvrije bouwmogelijkheden en de planologische afwijkingsbevoegdheden betekenen voor de geluidbelasting ter plaatse van de nieuwe woningen. In zoverre is het akoestisch onderzoek (de notitie van 31 oktober 2022) niet zorgvuldig voorbereid. Het betoog slaagt. 12.3. In de aanvullende notitie is vervolgens bezien wat de vergunningvrije bouwmogelijkheden en de afwijkingsbevoegdheden betekenen voor de berekende geluidbelasting vanwege de bedrijfsvoering van [appellant sub 1] en anderen. Op basis daarvan is in de aanvullende notitie geconstateerd dat dit geen gevolgen heeft voor de conclusie dat er met het treffen van geluidreducerende maatregelen, een aanvaardbaar woon- en leefkl Dat daadwerkelijk de binnenwaarde van 35 dB zal worden gehaald is ook onvoldoende zeker, nu onder b van artikel 8.2.4 staat dat de maximale binnenwaarde van 35 dB moet zijn ‘aannemelijk gemaakt’ en niet, zoals onder a van artikel 8.2.4, ‘is aangetoond’ en ook niet is geborgd dat de benodigde geluidwering wordt gerealiseerd. Volgens [appellant sub 1] en anderen geldt dit eveneens voor het geluidscherm en de dove gevel, zoals bedoeld in onder c en d van artikel 8.2.4 van de planregels. Niet duidelijk is wanneer het geluidscherm en de dove gevel moet worden gerealiseerd, en daarbij is ook de instandhouding niet verzekerd. De bedoeling is daarnaast dat het treffen van die maatregelen in samenhang met het stellen van maatwerkvoorschriften wordt gedaan. Met die maatwerkvoorschriften worden dan hogere geluidnormen aan hun bedrijven vergund. Die maatwerkvoorschriften zijn echter nog niet gesteld en niet zeker is of deze zullen worden gesteld. Daarmee is volgens [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 1] en anderen onvoldoende zeker dat hun bedrijfsvoering niet zal worden belemmerd. 14.1. Uit het akoestische onderzoek komt het volgende naar voren over de berekende geluidbelasting vanwege de bedrijfsvoering van appellanten. De bedrijfsvoering van vrijwel alle appellanten leidt tot een overschrijding van de richtwaarden voor een gemengd gebied uit de VNG-brochure dan wel de grenswaarden voor geluid uit het Activiteitenbesluit. Het gaat om overschrijdingen van zowel het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau als om overschrijdingen van het maximaal geluidniveau. De hoogste overschrijdingen op de woonblokken zijn geconstateerd vanwege de bedrijfsvoering aan de [locatie 1] (het bedrijfsperceel van [appellant sub 1] en anderen) en die aan de [locatie 6] (het bedrijfsperceel van [appellant sub 2C], onderdeel van de appellantengroep [appellant sub 2] en anderen). Afgezet tegen de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit, volgt uit het akoestische onderzoek het volgende. Wat betreft het langtijdgemiddelde geluidniveau blijkt uit het akoestisch onderzoek dat de hoogst berekende waarde in de dagperiode 56 dB(A) (een overschrijding van 6 dB(A)) en in de avondperiode 54 dB(A) (een overschrijding van 9 dB(A)) bedraagt. Wat betreft het maximaal geluidniveau blijkt uit het akoestisch onderzoek dat de hoogste berekende waarde in de dagperiode 83 dB (een overschrijding van 13 dB(A)), in de avondperiode 83 dB(A) (een overschrijding van 18 dB(A)) en in de nachtperiode 76 dB(A) (een overschrijding van 16 dB(A)) bedraagt. IDie overschrijdingen worden vrijwel allemaal veroorzaakt door vrachtverkeer van laad- en losactiviteiten, bijvoorbeeld het stationair draaien van een vrachtwagen, het achteruitrijden van een vrachtwagen, het afblazen van remlucht of het gebruik van de kooiaap, en daarnaast door het wisselen van containers. Uit het akoestisch rapport volgt dat de overschrijdingen van het maximaal geluidniveau van alle bedrijven (hoofdzakelijk per weekdag) in de dagperiode zich ongeveer 13 keer, in de avondperiode zo’n 3 keer en in de nachtperiode zo’n 4 keer voordoen. 14.2. De raad stelt zich op het standpunt dat ondanks de geconstateerde overschrijdingen er een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen is. De raad komt tot deze conclusie om verschillende redenen. De overschrijdingen van het maximaal geluidniveau in de dagperiode worden vrijwel allemaal veroorzaakt door laad- en losactiviteiten, maar die activiteiten zijn in het Activiteitenbesluit bij het berekenen van het maximaal geluidniveau in de dagperiode uitgezonderd. Daarnaast gaat het om een gemengd gebied, waar enige mate van geluidbelasting mag worden verwacht. Op Molenkreek zijn ten hoogste milieucategorie 2-bedrijven toegestaan. Dat type bedrijven is vanwege hun relatief beperkte hinder op zich verenigbaar met gevoelige functies als woningen. Verder zullen de woningen, waar nodig, worden gerealiseerd met extra geluidwering waardoor in de woning Uit artikel 8.2.4, aanhef en onder b, van de planregels volgt dat bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen zal worden getoetst of, vanwege de bedrijfsactiviteiten van appellanten, aannemelijk is dat wordt voldaan aan de binnenwaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau. De deskundige van Vliex Akoestiek heeft op de zitting uitgelegd dat ‘aantonen’ is gebruikt voor de geluidbelasting op de buitengevel, omdat dat nagenoeg exact kan worden berekend gezien het feit dat de uiterste situering van de gevel van de woningen op grond van het plan vaststaat. Dat is anders voor het berekenen van de binnenwaarde in een woning die nog niet is gerealiseerd, zodat daarvoor het woord ‘aannemelijk’ is gebruikt. De Afdeling ziet geen reden om deze uitleg niet te volgen. 14.6. Alles afwegende komt de Afdeling tot het oordeel dat ondanks dat de bedrijfsvoering van (een aantal) appellanten leidt tot significante overschrijdingen van de geluidgrenswaarden ter plaatse van de voorziene woningen, wat tussen partijen ook niet in geschil is, de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het akoestisch klimaat ter plaatse van de nieuwe woningen, uitgaande van de voorgestelde geluidwerende maatregelen aan de gevel, de dove gevel en het geluidscherm, aanvaardbaar is en appellanten niet onaanvaardbaar worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. 14.7. De Afdeling volgt appellanten wel in hun standpunt dat met het plan onvoldoende is verzekerd dat de benodigde geluidwering (aan de gevel), het geluidscherm en de dove gevel zullen worden gerealiseerd en in stand worden gehouden. Anders dan de raad meent, biedt artikel 8.2.4 van de planregels niet de daartoe benodigde zekerheid. Anders dan de kop van artikel 8.2.4 van de planregels suggereert en de raad stelt, bevat deze bepaling geen voorwaardelijke verplichting. Het artikel bevat namelijk weigeringsgronden voor de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen. Het artikel staat in de planregels ook onder paragraaf 8.2 ‘Bouwregels’, en niet (bijvoorbeeld) onder paragraaf 8.3 ‘Specifieke gebruiksregels’. Dat artikel is dus alleen relevant bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, maar speelt, anders dan een in de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichting, geen rol bij de vraag of het gebruik van de gronden conform het plan plaatsvindt, op basis waarvan dus met toepassing van artikel 2.1, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zou kunnen worden gehandhaafd. De conclusie is daarom dat de raad niet wordt gevolgd in zijn standpunt dat artikel 8.2.4 van de planregels een grondslag biedt voor handhavend optreden als de geluidwering aan de gevel, het geluidscherm en de dove gevel niet worden gerealiseerd en in stand worden gehouden. Dit betekent dat het plan in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid is vastgesteld. In zoverre slaagt het betoog. 14.8. [appellant sub 2] en anderen hebben er in dit verband nog op gewezen dat in artikel 8.2.4, aanhef en onder a en b, van de planregels niet de bedrijfsvoering aan het adres [locatie 2] en [locatie 3] wordt genoemd. Op de zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat bij nader inzien dat adres ook in die planregel had moeten worden opgenomen. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Ook in zoverre slaagt het betoog. Het omleggen van de Van Heemskerckstraat Ingetrokken beroepsgrond 15. [appellant sub 1] en anderen hebben hun beroepsgrond over het verdwijnen van parkeergelegenheid ter hoogte van hun perceel op de zitting ingetrokken. Bereikbaarheid en verkeersveiligheid 16. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad niet heeft ingezien dat het omleggen van de Van Heems 16.3. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan het standpunt van de raad dat het bedrijfsperceel, in het bijzonder aan de noordzijde, na het omleggen van de Van Heemskerckstraat voldoende bereikbaar blijft. Daarvoor is van belang dat de verkeersbestemming ter hoogte van het perceel van [appellant sub 1] en anderen ruim 12 m breed is, zodat het plan ter plaatse ruimte biedt voor een relatief brede wegopzet. Daarnaast blijkt uit de tekeningen die bij het verweerschrift zijn gevoegd, en die op de zitting ook met partijen zijn bekeken en besproken, dat niet alleen rekening is gehouden met vrachtwagens met een lengte van 16 m, maar ook met vrachtwagens met een aanhanger met een lengte van ruim 18 m. Dat blijkens de tekeningen volgens [appellant sub 1] en anderen de vrachtwagens niet vanuit dezelfde positie wegrijden als waarin ze hebben geladen en gelost, betekent niet dat het laden en lossen en het verlaten van het laad-en-los-dok, al dan niet door middel van meerdere keren steken en manoeuvreren, niet mogelijk is. Op de zitting is op basis van de tekeningen met partijen ook geconstateerd dat de voorziene parkeerplaatsen en het opstellen van de (ondergrondse) containers ter hoogte van het perceel van [appellant sub 1] en anderen het manoeuvreren van de vrachtwagens bij het laad-en-los-dok bemoeilijkt. De raad heeft daarover op de zitting toegelicht dat die opstelling niet vastligt en kan worden gewijzigd, waardoor ter hoogte van het laad-en-los-dok meer ruimte ontstaat. De Afdeling ziet geen reden om aan de juistheid van die toelichting te twijfelen. De Afdeling ziet in het aangevoerde verder geen aanknopingspunten dat het omleggen van de Van Heemskerckstraat leidt tot verkeersonveilige situaties. Daarvoor is, naast de toelichting van de raad, ook van belang dat uit de akoestische notitie over het bedrijfsperceel van [appellant sub 1] en anderen blijkt dat de vrachtwagens voornamelijk lossen aan de zuidzijde van het bedrijfsperceel en dat ongeveer twee vrachtwagens per dag gebruikmaken van het laad-en-los-dok aan de noordzijde. Het betoog slaagt niet. Verdwijnen parkeergelegenheid bij het bedrijventerrein 17. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad de gevolgen van het verdwijnen van de parkeerhaven voor vrachtwagens in het plangebied onvoldoende heeft onderzocht. Op grond van het voorgaande plan hadden de gronden van het parkeerterrein een bedrijfsbestemming en waren ze ingericht voor parkeergelegenheid ten behoeve van het bedrijventerrein. Het voorliggende plan kent aan de gronden, naast een verkeersbestemming, ook voor een gedeelte van het terrein een woon- en tuinbestemming toe. Als gevolg van het plan verliest het terrein dus zijn functie als parkeerterrein. De raad heeft zich er niet van vergewist of in de omgeving wel voldoende parkeergelegenheid beschikbaar blijft voor het bedrijventerrein. In de praktijk maakt vrijwel al het verkeer voor het bedrijventerrein gebruik van openbare parkeergelegenheid, in de eerste plaats het parkeerterrein dat nu verdwijnt. In aanvulling op de parkeergelegenheid ten behoeve van de woningen worden aan de noordzijde van de Van Heemskerckstraat wel langsparkeervakken gerealiseerd, maar dat zal niet voldoende zijn. Bovendien zijn die parkeervakken niet geschikt voor vrachtwagens. [appellant sub 2] en anderen wijzen er daarbij op dat het parkeerterrein een openbare weg is in de zin van de Wegenwet. Met het besluit van de raad van 22 augustus 2023, dat vernietigd is met de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 april 2024, en vervolgens met het besluit van de raad van 13 augustus 2024, is onder meer besloten om dit gedeelte van de Van Heemskerckstraat te onttrekken aan het openbaar verkeer. Tegen het besluit tot onttrekking van 13 augustus 2024 hebben zij echter ook beroep ingesteld, zodat dat besluit niet onherroepelijk is. De onttrekking van een gedeelte van de weg aan het openbaar verkee In zoverre bestaat geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de raad dat de bedrijven op Molenkreek in beginsel op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid moeten voorzien. [appellant sub 2] en anderen hebben niet gesteld en ook is niet gebleken dat zij gebruikmaken van het parkeerterrein voor vrachtwagens in eigen beheer. Wel voeren zij aan dat met het verdwijnen van het parkeerterrein geen ruimte meer is voor hun leveranciers om hun vrachtwagens te parkeren. Maar de vrachtwagens kunnen, zoals de raad heeft gesteld, gebruikmaken van parkeergelegenheid op het bedrijventerrein in Steenbergen. Dat op dat bedrijventerrein voldoende alternatieve parkeerruimte bestaat, hebben [appellant sub 2] en anderen niet bestreden en ook hebben zij niet concreet gemaakt waarom het voor hun bedrijfsvoering onaanvaardbare gevolgen heeft dat eventuele leveranciers, voor of na het laden en lossen bij hun bedrijven, ruim 10 minuten verderop kunnen parkeren. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad met het plan dus de bestemming van de gronden (gedeeltelijk) mogen wijzigen naar een woon- en een tuinbestemming. De Afdeling ziet, gelet op het voorgaande, ook geen grond voor het oordeel dat het onttrekkingsbesluit van 13 augustus 2024 om die reden niet in stand zal blijven, zodat de raad niet op voorhand heeft hoeven inzien dat het plan niet uitvoerbaar is. Het betoog slaagt niet. Gevolgen omzetten bedrijfswoningen in burgerwoningen 18. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het omzetten van bedrijfswoningen naar reguliere woningen niet is onderzocht. Aan de [locatie 10] is een woning aanwezig die in planologische zin hoort bij het bedrijfsgebouw aan de [locatie 2], waar [appellant sub 2] zijn bedrijf heeft. De woning aan de [locatie 8] hoort in planologische zin bij het bedrijfsgebouw op het adres [locatie 7], waar [appellant sub 2B] is gevestigd met zijn bedrijf. Het plan leidt ertoe dat de woningen geen bedrijfswoningen meer zijn, maar reguliere woningen. De raad heeft ten onrechte niet onderzocht en gemotiveerd wat de gevolgen daarvan voor hun bedrijfsvoering zijn, aldus [appellant sub 2] en anderen. 18.1. Op grond van het voorgaande bestemmingsplan hadden de gronden waarop de woningen aan de [locatie 8] en [locatie 10] staan de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduiding "bedrijfswoning". Uit artikel 6.1, onder d, en artikel 1.15 van de planregels van het voorgaande plan volgt dat die woningen bestemd waren voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming en het feitelijk gebruik van het gebouw en de gronden. De woningen mochten op grond van het voorgaande plan dus niet als reguliere woningen worden gebruikt. Het voorliggende plan wijzigt de bestemming van de gronden van de woningen naar "Gemengd" met de functieaanduiding "wonen". Uit artikel 4.1, onder b, en artikel 1.33 van de planregels volgt dat de woningen bestemd zijn voor de huisvesting van een huishouden. Daarmee zijn de woningen dus bestemd als ‘reguliere woning’. 18.2. De raad heeft toegelicht dat de betreffende woningen feitelijk al jaren als reguliere woning in gebruik zijn. Om de planologische situatie aan te laten sluiten op deze feitelijke situatie, is ervoor gekozen om de woningen als reguliere woningen te bestemmen. 18.3. Een bedrijf hoeft ter plaatse van een bedrijfswoning die in planologisch opzicht tot dat bedrijf behoort (dus daarmee functioneel verbonden is), niet te voldoen aan de geldende milieunormen, bijvoorbeeld ten aanzien van geluid en geur. Dat is anders voor een reguliere woning. Een bedrijf in de omgeving van zo’n woning dient zich in beginsel te houden aan de geldende milieunormen. Voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 2] en [appellant sub 2B] betekent het dus dat zij, voor de woningen die in planologisch opzicht voorheen bij hun bedrijven hoorden, nu moeten voldoen aan de milieunormen. Die woningen staan op relat