Rechtspraak
Raad van State
2026-03-17
ECLI:NL:RVS:2026:1479
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,091 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1479 text/xml public 2026-03-25T10:33:17 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-03-17 BRS.26.000806 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1479 text/html public 2026-03-16T10:15:27 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1479 Raad van State , 17-03-2026 / BRS.26.000806 Bij besluit van 27 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. BRS.26.000806 ECLI:NL:RVS:2026:1479 Datum uitspraak: 17 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoeker] (verzoeker) om opheffing of wijziging van een voorlopige voorziening (artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 2 september 2025 in zaak nr. NL25.23934 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 27 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 2 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij uitspraak van 13 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4882, heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de uitspraak van de rechtbank wordt geschorst. Bij uitspraak van 19 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6203, heeft de voorzieningenrechter een verzoek van verzoeker om opheffing of wijziging van de voorlopige voorziening afgewezen. Verzoeker heeft bij brief van 18 februari 2026 de voorzieningenrechter opnieuw verzocht de getroffen voorlopige voorziening te wijzigen. Overwegingen Uitspraak van 13 oktober 2025 1. In deze uitspraak heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de uitspraak van de rechtbank wordt geschorst. Daarom herleeft de situatie in rechte van voor de uitspraak van de rechtbank. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het besluit van 27 mei 2025 onverkort gelden totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Het verzoek 2. Verzoeker is op 17 oktober 2025 overgedragen aan Kroatië. Hij stelt dat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die maken dat de belangenafweging nu anders zou moeten uitvallen. Verzoeker voert aan lichamelijke en psychische problemen te hebben en stelt dat hij in Kroatië in inhumane omstandigheden verkeert. Hij verzoekt de voorzieningenrechter opnieuw de getroffen voorlopige voorziening te wijzigen en de minister op te dragen hem terug te geleiden naar Nederland in afwachting van de uitspraak van de Afdeling op het hoger beroep. Beoordeling 3. In de uitspraak van 13 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van de minister om een voorlopige voorziening te treffen toegewezen, omdat onder de gegeven omstandigheden doorslaggevend gewicht toekomt aan het door de minister ingeroepen belang om verzoeker tijdig over te kunnen dragen aan Kroatië. Na hernieuwd onderzoek ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de getroffen voorlopige voorziening te wijzigen. Uit de gegeven omstandigheden volgt niet dat de belangenafweging nu anders zou moeten uitvallen. Conclusie 4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier. w.g. Ristra-Peeters voorzieningenrechter w.g. Schipper griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026 872-1161