Rechtspraak
Raad van State
2026-03-17
ECLI:NL:RVS:2026:1459
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
717 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1459 text/xml public 2026-03-25T10:33:30 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-03-17 BRS.26.000800 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1459 text/html public 2026-03-13T10:24:42 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1459 Raad van State , 17-03-2026 / BRS.26.000800 Bij besluit van 8 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd. BRS.26.000800 ECLI:NL:RVS:2026:1459 Datum uitspraak: 17 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 11 februari 2026 in zaak nr. NL25.38667 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 8 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd. Bij uitspraak van 11 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. 2. Gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft hij een voorlopige voorziening. 3. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier. w.g. Borman voorzieningenrechter w.g. Huizer griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026 987