Rechtspraak
Raad van State
2026-03-18
ECLI:NL:RVS:2026:1442
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
2,038 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2026:1442 text/xml public 2026-03-25T10:32:31 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-03-18 202501598/1/V2 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:1442 text/html public 2026-03-12T11:16:36 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:1442 Raad van State , 18-03-2026 / 202501598/1/V2 Bij besluit van 21 september 2021, aangevuld op 30 juli 2024, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken en een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning, afgewezen. 202501598/1/V2. Datum uitspraak: 18 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de hoger beroepen van: 1. de minister van Asiel en Migratie, 2. [betrokkene], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 februari 2025 in zaak nr. NL21.15898 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 21 september 2021, aangevuld op 30 juli 2024, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken en een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning, afgewezen. Bij uitspraak van 19 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.F. Wijngaarden, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. De minister heeft daarop gereageerd. Bij besluit van 11 juni 2025 heeft de minister de aanvraag van appellant om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd. De minister heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen Inleiding 1. Betrokkene heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1985. Van 26 oktober 2015 tot 26 oktober 2020 was hij in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft zijn aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning afgewezen en die verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken tot 19 november 2019. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene een bijzonder ernstig misdrijf als bedoeld in artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn heeft gepleegd. 1.1. Betrokkene is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk. De rechtbank heeft bewezenverklaard dat betrokkene samen met zijn mededaders het slachtoffer tegen zijn wil in heeft vastgehouden in een woning. Daarbij hebben zij het slachtoffer bedreigd met geweld en hem gedwongen tot afgifte van diverse geldbedragen en zijn pinpas. De strafrechter heeft betrokkene in het vonnis van 17 juli 2020 veroordeeld voor drie strafbare feiten, te weten afpersing, diefstal en het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Daarbij heeft zij voor de afpersing en het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving eendaadse samenloop aangenomen. Het oordeel van de rechtbank 2. De rechtbank heeft overwogen dat zij het arrest van het Hof van Justitie van 6 juli 2023, M.A., ECLI:EU:C:2023:543, zo leest, dat afzonderlijk gepleegde misdrijven die op zichzelf niet aangemerkt kunnen worden als bijzonder ernstig misdrijf, niet samen kunnen worden opgeteld om tot een bijzonder ernstig misdrijf te komen. De rechtbank is echter van oordeel dat de drie bewezenverklaarde strafbare feiten dusdanig met elkaar samenhangen dat deze moeten worden beschouwd als één feitencomplex en niet moeten worden aangemerkt als afzonderlijke misdrijven, zoals aan de orde was in het arrest M.A. De rechtbank heeft daarom beoordeeld of de veroordeling voor afpersing, diefstal en vrijheidsberoving kan worden aangemerkt als een bijzonder ernstig misdrijf. Vervolgens is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat betrokkene geen bijzonder ernstig misdrijf heeft gepleegd, als bedoeld in artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat er voor de gepleegde misdrijven een maximumstraf van twaalf jaar geldt, terwijl er ook misdrijven zijn waarvoor aanzienlijk hogere strafmaxima gelden. Uit het arrest M.A. leidt de rechtbank af dat de hiervoor genoemde bepaling uit de Kwalificatierichtlijn slechts bij uitzondering moet worden toegepast en dat deze restrictief moet worden uitgelegd. Ook heeft de rechtbank bij haar oordeel betrokken dat uit het vonnis van de strafrechter weliswaar blijkt dat er gedreigd is met geweld, maar dat uit de weergave van de bewijsmiddelen niet blijkt dat er daadwerkelijk geweld is toegepast. Verder weegt de rechtbank mee dat de door de strafrechter toegekende immateriële schadevergoeding beperkt is tot € 1.500,00. Ook overweegt de rechtbank dat de aan betrokkene opgelegde straf niet valt aan te merken als bijzonder zwaar in het licht van de in Nederland gebruikelijke strafmaat. Het hoger beroep van de minister 3. De minister betoogt in zijn enige grief in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat alleen misdrijven waarop een levenslange gevangenisstraf, dan wel een maximale gevangenisstraf van 30 jaar staat, onder het begrip bijzonder ernstig misdrijf kunnen vallen. De rechtbank legt daarmee in de ogen van de minister de lat te hoog. 3.1. De Afdeling overweegt dat dit betoog op een onjuiste lezing van de uitspraak van de rechtbank berust. De rechtbank heeft overwogen dat zulke aanzienlijk hogere strafmaxima een belangrijke aanwijzing zijn dat misdrijven als bijzonder ernstig moeten worden gezien. Omdat in het geval van betrokkene sprake is van een maximale straf van 12 jaar, kan volgens de rechtbank dus minder snel worden geconcludeerd dat het gaat om een misdrijf dat behoort tot de misdrijven die de rechtsorde het meest aantasten. De rechtbank heeft dus niet geoordeeld dat alleen misdrijven waarop een levenslange of een maximale gevangenisstraf van 30 jaar staat, als een bijzonder ernstig misdrijf kunnen worden aangemerkt. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat dergelijke strafmaxima een belangrijke aanwijzing zijn dat de misdrijven waarop die strafmaxima zijn gesteld, moeten worden aangemerkt als bijzonder ernstig. Dat betekent echter niet dat misdrijven met een lagere maximumstraf geen bijzonder ernstig misdrijf kunnen zijn. 3.2. De minister betoogt wel terecht dat de rechtbank bij de beoordeling ten onrechte vooral naar de op het misdrijf gestelde maximumstraf en de hoogte van de daadwerkelijk opgelegde straf heeft gekeken. Uit de uitspraak van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1177, onder 3.5, volgt dat de duur van de gevangenisstraf een van de omstandigheden is die bij de beoordeling van de ernst van het misdrijf betrokken moet worden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met alle andere omstandigheden van het geval, zoals het gedrag van betrokkene en de vraag of het misdrijf opzettelijk is gepleegd. De rechtbank heeft deze omstandigheden niet bij de beoordeling betrokken. Dit klemt temeer, nu de minister in het aanvullende besluit van 30 juli 2024 naar aanleiding van het arrest M.A. op al deze omstandigheden is ingegaan en zich gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf. Daarbij is de minister ingegaan op het persoonlijke gedrag van betrokkene, de aard van het misdrijf, het feit dat het misdrijf opzettelijk is gepleegd, de impact van het misdrijf, de opgelegde straf, de gekozen strafprocedure, de omvang van de veroorzaakte schade en de vraag of er verzachtende of verzwarende omstandigheden bestaan. 3.3. De grief slaagt. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene 4.