Rechtspraak Raad van State 2026-03-11
ECLI:NL:RVS:2026:1381
202300988/1/R3. Datum uitspraak: 11 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Maasland, gemeente Midden-Delfland, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 januari 2023 in zaak nr. 21/936 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland. Procesverloop Bij besluit van 21 december 2020 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de verbouwing van de woning aan de [locatie 1] te Maasland (hierna: de woning). Bij uitspraak van 5 januari 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 29 oktober 2025. Daar zijn [appellant] en het college verschenen. [appellant] is bijgestaan door mr. D. Pool, rechtsbijstandverlener in Apeldoorn, en vergezeld door ir. A. de Gruyl. Het college is vertegenwoordigd door mr. S.T.J. Olierook, advocaat in Den Haag. Verder is [partij] op de zitting als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 2 januari 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding De omgevingsvergunning 2. Het college heeft aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor een bouwplan dat, kort gezegd, voorziet in het toegankelijk maken van de bergzolder en het realiseren van een dakkapel (dakopbouw) op het achtergevel dakvlak van de woning aan de [locatie 2] in Maasland (hierna: de woning). [appellant] is eigenaar van de woning aan de [locatie 3] in Maasland. Zij kan zich niet vinden in de verlening van de omgevingsvergunning, omdat volgens haar impliciet meer vergund wordt dan waar het college vanuit is gegaan bij de verlening van de omgevingsvergunning. De aangevallen uitspraak 3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank volgt [appellant] niet in haar betoog dat met het besluit ook de gestelde wijzigingen van het pand aan de achtergevel en de draagconstructie indirect zijn vergund. De rechtbank overweegt daartoe dat het college dient te beslissen op grondslag van de aanvraag. De aanvraag van 2 januari 2020 heeft betrekking op het toegankelijk maken van de bergzolder, het plaatsen van een dakkapel, de vervanging en plaatsing van dakramen, de vervanging van glas in de voorgevel van de eerste verdieping en de verhoging van spanten in de bergzolder. Met het bestreden besluit heeft het college dan ook uitsluitend toestemming verleend voor het aangevraagde bouwplan. De verleende omgevingsvergunning heeft daarom geen betrekking op de achtergevel of de draagconstructie van het pand. De rechtbank stelt voorts vast dat vergunninghouder ten behoeve van de aanvraag overeenkomstig het bepaalde in de Regeling omgevingsrecht tekeningen heeft aangeleverd van de nieuwe situatie en de bestaande situatie. Deze tekeningen behoren bij het bestreden besluit, maar dat betekent niet dat daarmee meer of andere activiteiten worden vergund dan die zijn aangevraagd. Deze tekeningen zijn aangeleverd om de aanvraag voor het bouwplan te kunnen toetsen, zo overweegt de rechtbank. Hogerberoepsgronden 4. [appellant] betoogt dat de r