Rechtspraak Raad van State 2026-03-11
ECLI:NL:RVS:2026:1369
202506074/1/A2. Datum uitspraak: 11 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, en het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam (CBE), verweerder. Procesverloop Bij beslissing van 21 augustus 2025 heeft de decaan van de Faculteit der Geesteswetenschappen (de decaan) het verzoek van [appellante] tot uitstel van het Bindend Studieadvies afgewezen. Bij beslissing van 5 november 2025 heeft het CBE het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld. Het CBE heeft een verweerschrift ingediend. [appellante] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 februari 2026, waar het CBE, vertegenwoordigd door A. van der Weerd-Kramer L.L.B., is verschenen. Overwegingen 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. Inleiding 2. [appellante] is in studiejaar 2023-2024 gestart met de bacheloropleiding Global Arts, Culture and Politics aan de Universiteit van Amsterdam (de bacheloropleiding). Dat studiejaar heeft zij totaal 12 ECTS gehaald, waardoor zij niet voldeed aan de studievoortgangsnorm van 48 ECTS. De decaan heeft haar toen vanwege persoonlijke omstandigheden - ADHD - uitstel verleend van de studievoortgangsnorm. Dit betekent dat zij in studiejaar 2024-2025 nog 36 ECTS moest halen om aan de (uitgestelde) studievoortgangsnorm te voldoen. 3. [appellante] heeft in studiejaar 2024-2025 6 ECTS gehaald, waardoor zij in totaal 18 ECTS heeft gehaald voor de bacheloropleiding. Daarmee voldoet zij ook in studiejaar 2024-2025 niet aan de studievoortgangsnorm. 4. [appellante] heeft opnieuw een verzoek tot uitstel van de studievoorgangsnorm ingediend. Zij stelt dat zij in studiejaar 2024-2025 vanwege een vermijdende persoonlijkheidsstoornis (VPS) is gehinderd in haar studievoortgang. 5. De decaan heeft het verzoek van [appellante] afgewezen. [appellante] heeft niet de vereiste studiepunten gehaald en haar plan van aanpak was onvoldoende overtuigend. Beslissing van het CBE 6. Het CBE heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellante] geen persoonlijke omstandigheden heeft aangedragen die zouden moeten leiden tot uitstel van de studievoortgangsnorm. Zij heeft namelijk geen bewijsstukken overgelegd die de impact van de persoonlijke omstandigheden op de studievoortgang verklaren, waardoor het niet mogelijk is om een causaal verband vast te stellen tussen de aangedragen persoonlijke omstandigheden en het niet behalen van de benodigde studieresultaten. Daarbij komt dat [appellante] gedurende het academische jaar wisselende studieresultaten heeft behaald. Verder volgt uit de door [appellante] overgelegde (studie)aanpak onvoldoende hoe zij in studiejaar 2025-2026 alsnog kan voldoen aan de studievoortgangsnorm. De decaan mocht daarom twijfelen aan de geschiktheid van [appellante] voor de bacheloropleiding en het verzoek om uitstel van de studievoortgangsnorm afwijzen, aldus het CBE. Beoordeling van het beroep 7. [appellante] betoogt dat er een causaal verband bestaat tussen haar persoonlijke omstandigheden - VPS - en het niet voldoen aan de studievoortgangsnorm. VPS, waarvan de diagnose volgens [appellante] zorgvuldig tot stand is gekomen, had namelijk een constante impact op haar studievoortgang. Het verklaart onder meer waarom zij bij meer dan 80% van de onderwijsactiviteiten niet is verschenen, wat ertoe heeft geleid dat zij tentamens niet heeft gemaakt of opdrachten niet heeft ingeleverd. Het CBE heeft verder ondeugdelijk gemotiveerd dat het ontbreken van een medische duiding van doorslaggevende betekenis is voor de conclusie dat VPS geen of een beperkte invloed had op de studievoortgang. Overigens heeft [appellante] dit in beroep alsnog aannemelijk gemaakt met de overgelegde medische verklaring van haar behandeld psycholoo 3. Aan een advies als bedoeld in het eerste of tweede lid kan het instellingsbestuur ten aanzien van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn aangewezen, binnen het in het tweede lid bedoelde tijdvak, doch niet eerder dan tegen het einde van het eerste jaar van inschrijving, een afwijzing verbinden. Deze afwijzing kan slechts worden gegeven, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur, met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die het bestuur daaromtrent heeft vastgesteld. Het instellingsbestuur kan aan de afwijzing een termijn verbinden. Het instellingsbestuur kan de afwijzing uitstrekken tot opleidingen die met de desbetreffende opleiding het propedeutisch examen gemeen hebben. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts gebruikmaken, indien het in de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding zorgt voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede studievoortgang zijn gewaarborgd. […]. 6. Het instellingsbestuur stelt ter uitvoering van de voorgaande leden nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking op de studieresultaten en de voorzieningen, bedoeld in het derde lid, alsmede op de termijn, bedoeld in het vierde lid. 7. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke persoonlijke omstandigheden, bedoeld in het derde lid, het instellingsbestuur in zijn beoordeling betrekt. […]. ONDERWIJS- EN EXAMENREGELING VOOR DE BACHELOROPLEIDINGEN VAN DE FACULTEIT DER GEESTESWETENSCHAPPEN Studiejaar 2024-2025 Artikel A6.2 Studieadvies 1. Aan iedere student wordt uiterlijk aan het eind van diens eerste jaar van inschrijving door of namens de decaan advies uitgebracht over de voortzetting van de studie. 2. Indien aan het studieadvies een afwijzing wordt verbonden (‘negatief studieadvies’) zijn de bepalingen uit artikel 6.4 van toepassing. […]. Artikel A6.4 Bindend studieadvies propedeuse student 1. Na afloop van het tweede semester wordt aan alle studenten een studieadvies verstrekt over de voortzetting van de opleiding. Aan dit studieadvies wordt een afwijzing met een bindend karakter verbonden indien de student minder dan 48 studiepunten (voor een voltijdstudent) of 24 studiepunten (voor een deeltijdstudent) heeft behaald. 2. Zo spoedig mogelijk na afloop van de herkansingen van het tweede semester ontvangt de student een schriftelijk bericht waarin de decaan aangeeft of er een definitief positief bindend studieadvies verstrekt zal worden of dat er het voornemen is een negatief bindend studieadvies te verstrekken. Dezelfde procedure geldt in het volgende jaar van inschrijving als aan de student in het eerste jaar van inschrijving dispensatie is verleend voor het bindend studieadvies en de student aan het einde van het volgende jaar van inschrijving niet minimaal 48 studiepunten (voor een voltijdstudent) of minimaal 24 studiepunten (voor een deeltijdstudent) aan onderwijseenheden uit het eerste jaar heeft behaald. 3. Studenten die tot dan toe minimaal 48 studiepunten (voor een voltijdstudent) of minimaal 24 studiepunten (voor een deeltijdstudent) van de propedeuse van de betreffende opleiding hebben behaald, ontvangen een definitief positief bindend studieadvies. 4. Studenten die tot dan toe minder dan 48 studiepunten (voor een voltijdstudent) of minimaal 24 studiepunten (voor een deeltijdstudent) van de propedeuse van de betreffende opleiding hebben behaald, ontvangen een voorlopig negatief bindend studieadvies. 5. Studiepunten behaald voor onderwijseenheden die geen deel uitmaken van de propedeuse van de opleiding tellen niet mee voor de berekening van het aantal behaalde studiepunten met betrekking tot het bindend studieadvies. 6. Vrijstellingen verstrekt voor onderwijseenheden die deel uit maken van de propedeuse