Rechtspraak Raad van State 2026-03-18
ECLI:NL:RVS:2026:1321
202402492/1/A2. Datum uitspraak: 18 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], gevestigd in [plaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 12 maart 2024 in zaak nr. 22/6023 in het geding tussen: [appellante] en de Dienst Wegverkeer (de RDW). Procesverloop Bij besluit van 14 juni 2022 heeft de RDW een verzoek van [appellante] om de in het kentekenregister geregistreerde CO2-uitstoot van het voertuig met kenteken [kentekennummer] te wijzigen, afgewezen. Bij besluit van 22 september 2022 heeft de RDW het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 20 november 2023 heeft de RDW het bezwaar alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard, met dien verstande dat de NEDC-CO2-uitstoot wordt aangepast terwijl de WLTP-CO2-uitstoot niet wordt aangepast. Bij uitspraak van 12 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 22 september 2022 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 20 november 2023 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen de ongegrondverklaring van het beroep. De RDW heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft deze zaak en de zaken nrs. 202302649/1/A2, 202302651/1/A2, 202305678/1/A2, 202305686/1/A2 en 202400521/1/A2 gevoegd behandeld op de zitting van 9 januari 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. S.M. Bothof, rechtsbijstandverlener in Hof van Twente, en de RDW, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Bergen en mr. F. Schuring, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst. Overwegingen Inleiding 1. Fabrikanten van voertuigen bestemd voor de Europese markt moeten volgens het Unierecht beschikken over een voor toelating op die markt vereiste Europese typegoedkeuring. Voor de Europese typegoedkeuring moeten zij onder meer de CO2-uitstoot van hun voertuigen vaststellen. Dit gebeurde vóór 1 september 2017 met de zogenoemde NEDC-test (New European Driving Cycle). Vanaf 1 september 2017 geldt voor alle nieuwe voertuigmodellen de WLTP-test (Worldwide harmonised Light-duty vehicle Test Procedure). Voor bestaande modellen geldt deze verplichting vanaf 1 september 2018. In hoger beroep gaat het [appellante] nog alleen om de WLTP-CO2-uitstoot. Voor een uitgebreidere beschrijving van de vaststelling van de CO2-uitstoot en een weergave van het toepasselijke (Unie)recht verwijst de Afdeling naar de uitspraak van vandaag in zaak nr. 202305686/1/A2 (ECLI:NL:RVS:2026:1320), overwegingen 1-7 en de bijlage bij die uitspraak. 2. In Nederland registreert de RDW de CO2-uitstoot van een motorvoertuig in het kentekenregister. De CO2-uitstoot is in Nederland ook van belang voor het bepalen van de hoogte van de belasting op grond van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (bpm). De aanleiding voor deze zaak is dat [appellante] een naheffingsaanslag bpm heeft ontvangen van de inspecteur van de Belastingdienst. Volgens de Belastingdienst blijkt namelijk uit het kentekenregister van de RDW dat de CO2-uitstoot van het voertuig hoger is dan [appellante] bij de bpm-aangifte heeft opgegeven. Daarom heeft [appellante] de RDW verzocht om wijziging van de in het kentekenregister geregistreerde CO2-uitstoot van haar voertuig. 3. [appellante] heeft het voertuig uit Polen ingevoerd. Om het voertuig in het Nederlandse kentegenregister in te schrijven, heeft hij het Poolse kentekenbewijs overgelegd. Op dat kentekenbewijs was een Europese typegoedkeuring vermeld, maar stond niet de CO2-uitstoot vermeld omdat dat in Polen niet verplicht is. De RDW heeft daarom die typegoedkeuring ingevoerd in een Europese database, waaruit een range in CO2-waarden naar voren kwam. De RDW heeft de hoogste waarde uit die range gekozen en een WLTP-C02-uitstoot van 177 gr/km voor het voertuig geregistreerd. 4. Omdat de r [appellante] verzoekt daarom deze interne werkwijze onverbindend te verklaren dan wel buiten toepassing te laten. Verder betoogt [appellante] dat zij, met de door haar overgelegde gegevens van in Nederland geregistreerde gelijksoortige referentievoertuigen, heeft aangetoond wat de CO2-uitstoot moet zijn. 7.1. De Afdeling heeft in de uitspraak van vandaag in zaak nr. 202305686/1/A2 (ECLI:NL:RVS:2026:1320), overwegingen 18.1-18.3, een oordeel gegeven over een gelijkluidend betoog. Net als in die zaak, kan in deze zaak in het midden worden gelaten of artikel 110 van het VWEU in deze procedure over de wijziging van de CO2-uitstoot in het kentekenregister van toepassing is, omdat het betoog van [appellante] er feitelijk op neerkomt dat de interne werkwijze van de RDW voor de registratie van de CO2-uitstoot in het kentekenregister in strijd is met de doelstellingen van de Kentekenbewijzenrichtlijn en de verordeningen over de Europese typegoedkeuring. 7.2. De interne werkwijze van de RDW is om, als bij de herregistratie van een ingevoerd voertuig geen exacte waarde bekend is op grond van een geharmoniseerd kentekenbewijs of een door de fabrikant afgegeven certificaat van overeenstemming, bij de vaststelling van de CO2-uitstoot de hoogste waarde uit de range van de Europese typegoedkeuring te kiezen. In de uitspraak in zaak nr. 202305686/1/A2 (ECLI:NL:RVS:2026:1320) heeft de Afdeling geoordeeld dat deze werkwijze, waarbij een belanghebbende geen ruimte wordt geboden om met andere bewijs aannemelijk te maken dat de CO2-uitstoot niet juist is geregistreerd, in strijd is met het doel en de strekking van het geharmoniseerde stelsel van de Europese typegoedkeuring, waarvan een gestandaardiseerde methode voor de vaststelling van de CO2-uitstoot deel uitmaakt. Een belanghebbende moet in de gelegenheid worden gesteld om bij een verzoek op grond van artikel 43e van de Wvw 1994 ook met andere beschikbare documentatie dan die in de interne werkwijze van de RDW is genoemd, aannemelijk te maken dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de in het kentekenregister geregistreerde CO2-uitstoot niet juist is. In zoverre is het betoog terecht voorgedragen en is het besluit van 20 november 2023 in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ondeugdelijk gemotiveerd. 7.3. In dit geval heeft [appellante] de gegevens overgelegd van maar twee andere voertuigen. Deze voertuigen komen weliswaar qua merk, type en variant overeen, maar op andere punten verschillen zij van elkaar en van het voertuig van [appellante]. Zo verschilt bijvoorbeeld de extensie van de Europese typegoedkeuring, de milieuklasse en de datum van eerste toelating op de weg. Dit geval verschilt hiermee op relevante wijze van de situatie die in de uitspraak in zaak nr. 202305686/1/A2 (ECLI:NL:RVS:2026:1320) aan de orde was, waarin appellante een lijst met wel zeventig referentievoertuigen had overgelegd die niet alleen dezelfde Europese typegoedkeuring hadden als het desbetreffende voertuig, maar op nog 14 kenmerken - waaronder de milieuklasse - daarmee overeenkwamen, en waarvan de datum van eerste toelating in hetzelfde jaar lag. Anders dan in die zaak komt de Afdeling daarom in deze zaak met de rechtbank tot het oordeel dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de CO2-uitstoot 158 gr/km is in plaats van 177 gr/km en daarmee ook niet dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de WLTP-CO2-uitstoot van het voertuig van [appellante] onjuist in het kentekenregister is opgenomen. Tegen deze achtergrond en bij gebrek aan andersluidende informatie over de CO2-uitstoot van dit voertuig mocht de RDW conform haar interne werkwijze de CO2-uitstoot vaststellen aan de hand van de hoogste CO2-waarde uit de range van de Europese typegoedkeuring van het voertuig. In zoverre slaagt het betoog niet. De Afdeling ziet hierin aanleiding het onder 7.2 geconstateerde motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Eindoordee