Rechtspraak Raad van State 2026-03-04
ECLI:NL:RVS:2026:1250
202404975/1/R3. Datum uitspraak: 4 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], wonend in Nieuwe Wetering, gemeente Kaag en Braassem, appellante, en de raad van de gemeente Kaag en Braassem, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 17 juni 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Regenboogweg Nieuwe Wetering" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellante] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld van 21 januari 2026, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en de raad, vertegenwoordigd door mr. V. Platteeuw, advocaat te Doetinchem, en drs. R.F. van der Helm, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Stichting MeerWonen, vertegenwoordigd door ing. J.E.V. Stollenwerk en [gemachtigde C], als partij gehoord. Overwegingen OVERGANGSRECHT INWERKINGTREDING OMGEVINGSWET 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 7 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. INLEIDING 2. Het plan voorziet in de bouw van twaalf woningen op een perceel aan de Regenboogweg in Nieuwe Wetering. De woningen worden gerealiseerd op een groenstrook die nu onderdeel is van de heuvelachtige natuurbelevingstuin "De Bult". [appellante] vindt de aantasting van de natuurbelevingstuin in haar straat onaanvaardbaar. TOETSINGSKADER 3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. DE PROCEDURE 4. [appellante] betoogt dat de inspraak- en informatiebijeenkomsten waarnaar wordt verwezen niet zijn gehouden in het kader van dit plan, maar in het kader van toepassing van de wijzigingsbevoegdheid die op grond van het bestemmingsplan "Nieuwe Wetering" geldt voor deze gronden. 4.1. Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Het betoog slaagt niet. OMGEVINGSVISIE KAAG EN BRAASSEM 2025 5. [appellante] betoogt dat het plan in strijd is met acht paragrafen van de Omgevingsvisie Kaag en Braassem 2025. 5.1. Dit betoog slaagt niet omdat deze omgevingsvisie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan nog niet was vastgesteld. LOCATIEKEUZE 6. [appellante] voert aan dat het project Braassemerland op 2 km afstand van het plangebied ligt en dat daar 1.550 nieuwe woningen worden gerealiseerd. De 12 in het plan voorziene woningen kunnen in Braassemerland gerealiseerd worden, zodat de groenstrook behouden kan blijven. Ook kunnen de 12 voorziene woningen op Gelet op deze afstanden maken deze gebieden naar het oordeel van de Afdeling geen deel uit van de leefomgeving van [appellante] en is het natuurbelang in zoverre niet verweven met het belang van het behoud van een goede kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Dit betekent dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan vernietiging van het bestemmingsplan wegens de beroepsgrond van [appellante] betreffende de ADC-toets. Dat de compenserende maatregelen zijn uitgevoerd in de natuurbelevingstuin De Bult welk gebied in de straat van [appellante] ligt, maakt dit niet anders, omdat dit gebied niet is aangewezen als Natura 2000-gebied of Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming 7.2. Verder overweegt de Afdeling dat de raad het plan niet mag vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. In de quickscan staat dat de planlocatie geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten en dat er geen houtopstanden aanwezig zijn waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt. [appellante] heeft geen concrete gegevens overgelegd waaruit volgt dat de quickscan zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat de raad dit onderzoek niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. De enkele stellingen van [appellante] dat de onderzoeker van Blom Ecologie in de wintermaanden en bovendien slechts een halve dag het gebied heeft bezocht en dat is uitgegaan van de Nationale database Flora en Fauna die gegevens bevat voor blokken van 5 bij 5 km, is in dit kader onvoldoende. Deze omstandigheden betekenen op zichzelf immers niet dat de conclusies uit de quickscan onjuist zouden zijn. [appellante] heeft voorts slechts ter zitting gesteld, maar niet met bewijsstukken onderbouwd, dat, anders dan in de quickscan staat, er wel jaarrond beschermde nesten in het plangebied aanwezig zijn. Gelet op het vorenstaande wordt in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, geen grond gevonden voor het oordeel dat de raad zich redelijkerwijs niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog slaagt niet. Overig 7.3. De Afdeling is verder van oordeel dat de raad bij afweging van de betrokken belangen een groter gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van woningbouw ter plaatse dan aan het belang van [appellante] bij het behouden van de huidige natuur ter plaatse. In dit verband is van belang dat, zoals hiervoor onder 6.1 uiteen is gezet, in de plantoelichting staat dat er in de regio Holland Rijnland een zwaar tekort aan huurwoningen is. Bovendien vindt de ontwikkeling plaats binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Verder heeft de raad ter zitting toegelicht dat ongeveer 10% van natuurbelevingstuin De Bult is bestemd voor woningbouw en dat de natuurbelevingstuin voor het overige behouden blijft. Gelet hierop is niet aannemelijk dat de koelte onder de bomen in warme zomers en de sociale cohesie die het onderhoud van De Bult met zich brengt, als gevolg van het plan zullen verdwijnen. Bovendien wordt de 10% natuur die zal verdwijnen, gecompenseerd op gronden ongeveer 170 m ten zuiden van het plangebied. Het betoog slaagt niet. Uitvoerbaarheid 8. [appellante] stelt verder dat de woningen zijn voorzien tegen een metershoge beboste heuvel en dat onduidelijk is wat de gevolgen zijn van het grondverzet voor de woningen. In dit kader wijst [appellante] op mogelijke grondverzakkingen. Daarnaast wijst zij op modderstromen na hevige regenval vanuit de hoger gelegen natuurbelevingstuin. Volgens [appellante] moet ofwel een damwand worden gerealiseerd ofwel veel meer grond worden afgegraven om de woningen te kunnen inpassen in de omgeving. 8.1. In een bestemmingsplan hoeft niet te worden geregeld hoe grondverzakkingen en modderstromen worden voorkomen. Deze aspecten betreffen niet het plan zelf maar de uitvoer