Rechtspraak Raad van State 2026-03-04
ECLI:NL:RVS:2026:1236
202401294/1/A3. Datum uitspraak: 4 maart 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], gevestigd in [plaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 januari 2024 in zaak nr. 23/242 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Infrastructuur en Waterstaat. Procesverloop Bij besluit van 30 juni 2022 heeft de minister een bestuurlijke boete aan [appellante] opgelegd voor het varen met een bemanningstekort. Bij besluit van 9 januari 2023 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 januari 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellante] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 15 september 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.J. van Dam, advocaat in Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Op 4 februari 2022 heeft een toezichthouder van Rijkswaterstaat Verkeer en Watermanagement een controle uitgevoerd aan boord van het zogenaamde hechte samenstel van [appellante], bestaande uit de duwboot "Mover 3" en de vrachtduwbak "Bergen". Over de controle heeft de toezichthouder op 9 maart 2022 een boeterapport opgesteld. Volgens dit rapport waren er twee schippers, één stuurman en één matroos aan boord. Omdat op grond van de Binnenvaartregeling (Bvr) ook een lichtmatroos aan boord had moeten zijn, is er volgens het boeterapport sprake van een bemanningstekort en een overtreding van artikel 22, zevende en negende lid, van de Binnenvaartwet (Bvw). Bij het besluit van 30 juni 2022 heeft de minister daarom een boete aan [appellante] opgelegd van € 2.500,00. Bij het besluit van 9 januari 2023 heeft de minister deze boete gehandhaafd. Gezien de feiten en omstandigheden van dit geval en onder verwijzing naar bijlage 11.1 van de Bvr heeft de minister een boete van € 2.500,00 passend geacht. Volgens hem is geen sprake van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven de boete te matigen. [appellante] is het hiermee niet eens en betoogt dat er geen sprake was van onderbemanning. Zij verwijst hierbij naar bijlage 5.1 van de Bvr. 2. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. Uitspraak van de rechtbank 3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende onderbouwd dat de stuurman aan boord niet de bekwaamheid van schipper had in de zin van artikel 2.9 van de Bvr. Aangezien er bij gebreke van een stuurman met de bekwaamheid van schipper vijf bemanningsleden aan boord hadden moeten zijn, is de minister mede gezien bijlage 5.1 van de Bvr terecht tot de conclusie gekomen dat sprake is van onderbemanning. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om artikel 2.9 en bijlage 5.1 van de Bvr buiten toepassing te laten. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitputtende lijst van certificaten of vrijstellingen die zijn vereist voor de bekwaamheid van schipper voldoende duidelijk. Ook is deze regel niet in strijd met het legaliteitsbeginsel, het discriminatieverbod of een ander fundamenteel mensenrecht. De minister heeft de boete op goede gronden opgelegd en er hebben zich geen omstandigheden voorgedaan die aanleiding geven om de boete te matigen, aldus de rechtbank. Hoger beroep 4. [appellante] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. Volgens haar is een stuurman met de bekwaamheid van schipper geen officiële functie als bedoeld in artikel 2.9 van de Bvr. [appellante] betoogt dat van belang is dat de stuurman een bijzondere bekwaamheid heeft, maar de stuurman hoeft niet een formele schipper te zijn. Daarbij komt dat bijlage 5.1. van de Bvr als uitgangspunt heeft dat twee (en niet drie) Daarbij komt dat de regeling, voor zover hier van belang, geen onderscheid maakt op basis van beloning, maar objectieve kwalificatiecriteria hanteert. Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht ervan uitgegaan dat ten tijde van de controle vier bemanningsleden aan boord waren, waaronder een stuurman die niet de bekwaamheid van schipper had als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, van de Bvr. Dit laatste betekent dat niet aan de uitzondering in de rechterkolom van bijlage 5.1, zoals hiervoor is overwogen, is voldaan. Ook is de rechtbank er terecht vanuit gegaan dat de uitzondering genoemd onder bijlage 5.1 dat een matroos mag worden vervangen door een lichtmatroos die de leeftijd van 17 jaar heeft bereikt, zich ten minste in het laatste leerjaar bevindt en een jaar vaartijd in de binnenvaart kan aantonen, niet opgaat omdat er wel een matroos maar geen lichtmatroos aan boord was. Op grond van de bijlage hadden er dus vijf bemanningsleden aan boord moeten zijn. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van onderbemanning en dat artikel 22, zevende en negende lid, van de Bvw is overtreden. Het betoog slaagt niet. 6. In artikel 5:46, derde lid, van de Awb is bepaald dat als de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bemanningseisen worden gesteld uit het oogpunt van de veiligheid van de scheepvaart. Het ontbreken van een bemanningslid vormt daarom, anders dan [appellante] aanvoert, een ernstige overtreding (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2696). Dat een matroos mag worden vervangen door een gekwalificeerde lichtmatroos of dat als er sprake is van een stuurman die de bekwaamheid van schipper als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, van de Bvr heeft van vier bemanningsleden mag worden uitgegaan, is niet van betekenis voor de vastgestelde overtreding. De aanwezige bemanning voldeed immers niet aan de bemanningsvereisten. De minister heeft in het besluit van 9 januari 2023, aangevuld in de schriftelijke uiteenzetting, deugdelijk gemotiveerd dat een boetebedrag van € 2.500,00 onder meer gelet op de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid passend en geboden is. Anders dan [appellante] betoogt, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien voor een matiging van de boete tot een bedrag van € 300,00 of € 1.500,00. Ook voor matiging van de boete op grond van het evenredigheidsbeginsel bestaat geen grond. Het betoog slaagt niet. 7. Slotsom 8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. 9. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier. w.g. Soffers lid van de enkelvoudige kamer w.g. Bindels griffier Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026 85-1158 BIJLAGE Binnenvaartwet Artikel 22 […] 2. In het belang van de veiligheid van de vaart kan de regeling, bedoeld in het eerste lid, aanvullende regels bevatten inzake: […] b. de samenstelling van de minimumbemanning van in die regeling aan te wijzen soorten schepen en categorieën daarvan en bij te onderscheiden exploitatiewijzen, alsmede de aan bemanningsleden te stellen eisen; c. eisen aan de deskundigheid van bemanningsleden, waaronder begrepen opleiding en ervaring; […] 7. De gezagvoerder of de werkgever zijn verplicht tot naleving van: a. het bepaalde krachtens het eerste en tweede lid, onderdelen a tot en met c; […] 9. Het is verboden te han