Rechtspraak
Raad van State
2025-02-26
ECLI:NL:RVS:2025:710
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
750 tokens
Inleiding
BRS.24.000431 en BRS.24.000432
ECLI:NL:RVS:2025:710
Datum uitspraak: 26 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 november 2024 in zaak nr. NL24.34410 in het geding tussen:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen,
en
de minister.
Procesverloop
Bij bericht van 20 augustus 2024 heeft de minister de Kroatische autoriteiten medegedeeld dat de overdracht van de vreemdelingen niet plaats kan vinden voor 27 augustus 2024, vanwege opschortende werking overeenkomstig artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening.
Bij uitspraak van 12 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. L.M. Straver, advocaat in Utrecht, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De vreemdelingen hebben een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.De minister heeft in beginsel geen belang bij beoordeling van zijn hoger beroep, omdat de rechtbank het beroep van de vreemdelingen niet-ontvankelijk heeft verklaard. In wat de minister heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding om dit belang toch aan te nemen. De overweging van de rechtbank waartegen de grief is gericht, is een door de rechtbank ten overvloede genomen overweging. Een antwoord op de door de minister opgeworpen rechtsvraag is verder vanuit het oogpunt van de rechtseenheid, de rechtsbescherming of de precedentwerking niet van belang, omdat die rechtsvraag al is beantwoord door de Afdeling in haar uitspraak van 5 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4948, onder 3.1 t/m 3.3.
2.Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af;
III. veroordeelt de minister tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2025
872-1086