Rechtspraak
Raad van State
2025-02-19
ECLI:NL:RVS:2025:654
Bestuursrecht
Herziening
622 tokens
Inleiding
202406630/1/A2.
Datum uitspraak: 19 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024, in zaak nr. 202401960/2/A2.
Procesverloop
Bij uitspraak van 12 juni 2024, in zaak nr. 202401960/2/A2 heeft de Afdeling zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep van [verzoeker] tegen, naar hij stelde, de beslissing van 24 januari 2023.
[verzoeker] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.
De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 januari 2025, waar [verzoeker] is verschenen. Ook is ter zitting het college van bestuur van de Avans Hogeschool, vertegenwoordigd door mr. L.J. Gremmen, als partij gehoord.
Overwegingen
1. Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt:
"De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. [verzoeker] heeft in zijn verzoek aangevoerd waarom hij van mening is dat het college van bestuur van de Avans Hogeschool zijn klacht onzorgvuldig heeft behandeld.
2.1. De Afdeling heeft zich in de uitspraak van 12 juni 2024 onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep van [verzoeker], omdat tegen een kennisgeving over hoe een klacht is afgehandeld geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld. [verzoeker] voert in verzet gronden aan die zijn gericht op het handelen en/of nalaten van de onderwijsinstelling en niet op de bevoegdheid van de Afdeling. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.
3. Het verzoek moet worden afgewezen.
4. De proceskosten hoeven niet te worden vergoed.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2025
284-1090