Rechtspraak
Raad van State
2025-11-13
ECLI:NL:RVS:2025:5590
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
717 tokens
Inleiding
202503862/2/A3.
Datum uitspraak: 13 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker A] en [verzoeker B], wonend in [woonplaats],
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 mei 2025 in zaak nr. 23/7252 en 23/7256 in het geding tussen:
[verzoekers]
en
de deken van de Orde van Advocaten Gelderland.
Openbare zitting gehouden op 13 november 2025 om 11:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter
griffier: mr. J. Houtman-van de Meerakker
Verschenen:
[verzoeker A] en [verzoeker B];
de deken van de Orde van Advocaten Gelderland, vertegenwoordigd door mr. F.R.H. Kuijper en mr. K. Land;
=
=
Bij besluiten van 27 maart 2023, gehandhaafd bij besluiten van 3 november 2023, heeft de deken van de Orde van Advocaten Gelderland aan [verzoekers] lasten onder dwangsom opgelegd.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 27 mei 2025 hun beroepen tegen de besluiten van 3 november 2023 ongegrond verklaard. [verzoekers] hebben tegen deze uitspraak hoger beroep bij de Afdeling ingesteld.
Bij besluiten van 10 oktober 2025 heeft de deken besloten om over te gaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen van € 3.000,00 bij [verzoeker A] en € 3.000,00 bij [verzoeker B].
Op grond van artikel 5:39 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het hoger beroep mede betrekking op deze invorderingsbesluiten.
[verzoekers] hebben de voorzieningenrechter verzocht de invorderingsbesluiten van 10 oktober 2025 te schorsen gedurende de behandeling van het hoger beroep.
Dictum
De voorzieningenrechter
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de invorderingsbesluiten van de deken van de Orde van Advocaten Gelderland van 10 oktober 2025;
II. gelast dat de deken van de Orde van Advocaten Gelderland aan [verzoeker A] en [verzoeker B] het door hun voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 289,00 vergoedt.
Gronden:
Ter zitting hebben beide partijen toegelicht wat hun belangen zijn bij het wel of niet schorsen van de invorderingsbesluiten en welk gewicht hieraan naar hun mening toekomt. De voorzieningenrechter heeft begrip voor beide standpunten, maar is uiteindelijk van oordeel dat in dit geval het belang van de deken bij invordering van de dwangsommen niet opweegt tegen het belang van [verzoekers] om de beslissing in de hoofdzaak af te wachten alvorens dwangsommen te hoeven betalen.
w.g. Borman
voorzieningenrechter
w.g. Houtman-van de Meerakker
griffier
929