Rechtspraak
Raad van State
2025-11-17
ECLI:NL:RVS:2025:5546
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
618 tokens
Inleiding
202500669/1/V2.
Datum uitspraak: 17 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2025 in zaak nr. NL24.46350 in het geding tussen:
[appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 19 november 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 28 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de asielaanvraag afgewezen als ongegrond, bepaald dat appellant binnen vier weken na verzending van de uitspraak moet vertrekken naar Senegal en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Appellant, vertegenwoordigd door mr. A.K.E. van den Heuvel, advocaat in Made, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
Bij brief van 10 september 2025 heeft de Afdeling de minister in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het arrest van het Hof van Justitie van 1 augustus 2025, Alace, ECLI:EU:C:2025:591.
Bij brief van 8 oktober 2025 heeft de minister het door haar ingestelde hoger beroep ingetrokken.
Overwegingen
1. De minister heeft de Afdeling laten weten dat appellant met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van appellant heeft, hoewel de Afdeling hem daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, niet laten weten dat hij nog contact met hem heeft. Daaruit leidt de Afdeling af dat appellant niet langer bescherming in Nederland zoekt. Daarom heeft appellant geen belang bij een beoordeling van het incidenteel hoger beroep.
2. Het incidenteel hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.C.S. Heinen, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Heinen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2025
984